print

Boekrecensie: ‘De depressie-epidemie’ - Arie Bos

Sindsdien heeft, zoals iedereen weet, het gebruik van SSRI’s een prachtige vlucht genomen. Had Swinkels toen ook maar meteen geadviseerd aandelen te nemen in de betreffende farmaceutische industrieën. Dat had de gelukscore van Nederland nog wat verder kunnen verhogen. Want dat is het paradoxale: Nederland behoort al jaren tot de gelukkigste landen van de wereld, maar scoorde in ieder geval, volgens het Global Burden of Disease onderzoek in 2010, het hoogst in Europa wat betreft het aantal patiënten met een depressie.

Dat is dan ook het raadsel waarmee De depressie-epidemie van Trudy Dehue begint. De eerste zin is: ‘Nederland hoort tot de gelukkigste landen ter wereld.’ Het is een boek dat alweer tien jaar geleden (2008) op de markt verscheen en toen opzien baarde. Het kreeg de Eurekaprijs 2009. Maar het is nog steeds actueel. Het is een erg intelligent en kritisch boek dat eerst nagaat of depressies inderdaad altijd hebben bestaan maar nooit herkend werden. De term is pas in de negentiende eeuw voor het eerst gebruikt. Maar, zo redeneren veel medische geschiedschrijvers: daarvóór sprak men over melancholie. Het is erg de vraag of met die term hetzelfde werd bedoeld.

Gewoonlijk wordt de wetenschappelijke geschiedenis beschreven vanuit de toestand en opvattingen van het heden. Vroeger snapte men het allemaal nog niet zo goed, maar in de loop van de tijd kwamen er onderzoekers die steeds een steentje bijdroegen aan wat nu de huidige stand van wetenschap is geworden. Alsof de geschiedenis van de toename van wetenschappelijke kennis als een strakke lijn valt te trekken naar de huidige stand van zaken: finale geschiedschrijving. De geschiedenis verloopt zo niet, en niet alleen wordt er in elk tijdperk verschillend over de werkelijkheid gedacht, dat denken kent ook geen strakke lijn, maar verloopt grillig. In de tijd dat men nog van melancholie sprak, kon dat van alles betekenen. Een stemming, een reactie op een droevige gebeurtenis, een temperament, ernst, diepgravendheid, noem maar op.

Depressie was aanvankelijk een reactie op een ‘life event’. Toen bleek het de schuld van de ouders. Daarna, dankzij het feit dat SSRI’s leken te werken en het gehalte aan serotonine in de synapsen opkrikte, was het een gevolg van een tekort aan serotonine (‘alsof het feit dat alcohol ontremmend werkt, betekent dat geremdheid het gevolg is van een tekort aan alcohol’). En nu is het een gevolg van bepaalde genen (laat dus nu maar alle hoop varen). Kortom, was vroeger het antwoord op de vraag: ‘waarom ben je neerslachtig?’, een gebeurtenis die moeilijk was te verwerken. Nu is het antwoord: ik heb een depressie. Van een dynamisch begrip, een manier van reageren, naar een ziekte die met de aangeboren innerlijke chemie samenhangt. ‘Van naam naar oorzaak.’ En daar is maar één antwoord op: een anti-depressivum. Hoe komen we eigenlijk aan die SSRI’s?

Sinds de jaren vijftig werden dergelijke serotonerge stoffen getest op bloedzuigers, die er ‘bijterig’ van werden, en op kreeften, die er ook agressief van werden. De stoffen werden getest als medicijnen tegen hoge bloeddruk, migraine, misselijkheid na chemotherapie, schizofrenie, slaap- en eetproblemen, agressie (!), angst en ook neerslachtigheid. Kortom, een stof op zoek naar een ziekte. De vraag bleef onbeantwoord wat de middelen eigenlijk deden en er was erg lang geen belangstelling voor de bijwerking agressie, die van het begin af aan al bekend was. Omdat ze de transmissie in de hersenen zouden bevorderen, werd gedacht dat emotionele problemen te wijten zouden zijn aan een haperende neurotransmissie, door een ‘chemische onbalans’ in de hersenen. Niemand opperde dat het misschien andersom zou kunnen zijn: dat neerslachtigheid zou kunnen leiden tot ‘chemische onbalans’.

Het werkingsmechanisme van de SSRI’s is tot op heden nog steeds niet aangetoond en een hypothese gebleven. Inmiddels kwam een overzichtsartikel uit 2015 in Neuroscience & Behavioral Reviews tot de slotsom dat ernstig ongelukkige mensen juist een verhoogde serotoninetransmissie hebben, in plaats van een verlaagde. Het artikel concludeert dat het hele idee niet klopt: SSRI’s bevorderen de transmissie van serotonine helemaal niet, maar verstoren de energiebalans van het lichaam. Mensen worden bijvoorbeeld dikker en voelen zich niet als ‘zichzelf’. Ze verstoren dus juist de balans. De werking zou paradoxaal genoeg te maken hebben met de pogingen deze balans weer te herstellen, zodat het stoppen met de middelen weer een doorschieten van deze correctie met zich mee kan brengen, met bijwerkingen als gevolg en moeite om ermee te stoppen (Dehue T. ‘Het ontbrekende stofje in het brein’, De Groene Amsterdammer, 4-2-2016).

Het is een rijk boek, dat ik hier niet echt recht kan doen. Wetenschapsfilosofie, bespreking van literatuur tot in de klassieke oudheid, maatschappijkritiek, aandacht voor de rol van Big Pharma, het probleem van de DSM-labels, de twijfelachtige rol van de diagnose wordt op een bijzonder erudiete manier van alle kanten benaderd. Ik had het boek al jarenlang ongelezen laten liggen omdat ik dacht dat ik, na alle publiciteit, wel wist wat er in stond. Niets bleek minder waar. Ik heb er van genoten. Het is actueler dan ooit.

De depressie-epidemie. Trudy Dehue. Atlas Contact, Amsterdam 2008. (inmiddels 9e druk)