print

Oenothera Argento culta

Oenothera Argento culta betekent letterlijk: ‘Teunisbloem geteeld met zilver’ en behoort tot de groep van de ‘gevegetabiliseerde metalen’. 

In 1936  kwam het eerste gevegetabiliseerde metaal ter beschikking voor de artsen en vele andere volgden al snel. In het begin van de jaren tachtig groeide in Nederland bij een kleine groep artsen en farmaceuten (rond Joop van Dam) de behoefte om, naast die toen reeds lange tijd bestaande ‘gevegetabiliseerde metalen’, enkele nieuwe te gaan bereiden. Zo verscheen de idee om koper door Belladonna te leiden (M. Reeder), en ook zilver door de teunisbloem (R. van Zijl). In 1997 werd het preparaat Oenothera Argento culta voor het eerst afgeleverd. 

Het bereidingsproces van ‘gevegetabiliseerde metalen’ wordt grotendeels overgegeven aan de natuur. Planten nemen anorganische minerale stoffen uit de bodem op, en lijven deze vervolgens in hun biochemische processen in. Bij het ‘vegetabiliseren’ van een metaal wordt dit natuurproces doelgericht versterkt. 

Dit gebeurt in grote lijnen als volgt. Men kiest een plant met een grote affiniteit voor het bepaalde metaal (onder meer fenomenologisch en biochemisch bepaald) (hier teunisbloem met zilver). Via een bijzonder farmaceutisch proces wordt het metaal in een vorm gebracht, die gemakkelijk opneembaar is voor de plant. 

Dit ‘metaal-bemestingspreparaat’ wordt toegevoegd aan de grond waarin de plant gezaaid wordt. Wanneer de plant tot bloei komt, worden de bovengrondse delen ervan geoogst en tot compost verwerkt. In een volgende stap wordt deze compost als ‘meststof’ gebruikt bij het zaaien met nog niet met het metaal behandeld zaad. Dit gehele proces van zaad tot compost wordt nogmaals herhaald tot in totaal drie stappen. De plant wordt tenslotte geoogst (bij Oenothera: de bloeiende bovengrondse delen) en tot geneesmiddel verwerkt.

Tijdens het ‘vegetabiliseringsproces’ wordt het metaal van anorganische, levenloze substantie volledig omgezet tot onderdeel van een levend organisme, de plant. In die vorm is het, volgens de antroposofische geneeskunde, voor het menselijk organisme gemakkelijker opneembaar en verteerbaar geworden. Gevegetabiliseerde metalen worden in de antroposofische geneeskunde dan ook bij uitstek ingezet bij kinderen en verzwakte patiënten of om een gewone metaaltherapie in te leiden.

Oenothera Argento culta wordt in de antroposofische geneeskunde voornamelijk ingezet bij eczeemkinderen met neurodermitis beeld, bij een atopische aanleg met droge huid, bij wratten, bij zwangerschapswens, amenorroe, en premenstruele klachten. 

Het preparaat is in Nederland beschikbaar als alcoholische druppelvloeistof en als (alcoholvrije) korrels (granulen), in de verdunning D3 (0,1%).

Zilver, Argentum, is in de aardkorst als zuiver metaal (gedegen) te vinden, maar in de meeste gevallen zit het in ertsen, vooral gebonden aan zwavel. Het belangrijkste mineraal is Argentiet, een zilversulfide. Zeewater zou de grootste hoeveelheid zilver bevatten, geschat wordt op zo’n twee miljoen ton in totaal, fijn verdeeld over de oceanen.

In de antroposofie legt men een kwalitatief verband tussen zilver en de maan (‘verdicht maanlicht’). De invloed van de maan op de grote watermassa’s van de aarde is in de getijdenwerking het duidelijkst merkbaar. 

Maar ook de levensprocessen van planten blijken beïnvloed te worden door de maan. Zo werd vastgesteld dat rond volle maan de sapstromen het sterkst zijn en zaad ook sneller ontkiemt. 

Bij bepaalde diersoorten is de relatie tussen voortplantingsactiviteiten en maanstanden onmiskenbaar, zoals bijvoorbeeld het groeps-paai-gedrag van koraaldiertjes, die massaal zaad- en eicellen lozen op een bepaald tijdstip van het jaar, maar telkens bij volle maan. 

En bij vroedvrouwen en in kraamklinieken is het een bekend feit dat er rond de periode van volle maan beduidend meer (natuurlijk verlopende) bevallingen plaatsvinden dan anders.

Planten, dieren, mensen, ze bestaan voor een overgroot deel uit water, enige beïnvloeding van de maan, direct of indirect, lijkt dan ook niet zo vreemd. 

Zilver heeft zijn uitstekende reflectievermogen gemeen met de maan. Het metaal weerspiegelt het volledige lichtspectrum, zonder een deel ervan in zich vast te houden, wat het de opvallende glans verleent. 

Ook warmte en elektriciteit worden ‘onzelfzuchtig’ doorgeleid. 

Zilver kan als geen ander voorwerpen getrouw weerspiegelen. Het is hét ideale materiaal voor het vervaardigen van spiegels.

Een typisch beeld voor wat in de antroposofische geneeskunde ‘zilver-maan-proces’ wordt genoemd krijgt men door twee spiegels tegenover elkaar te zetten. Er ontstaat een spiegelbeeld van spiegelbeeld van spiegelbeeld, een quasi eindeloze herhaling van hetzelfde.

Zilver is een edel metaal, het verbindt zich met tegenzin met andere stoffen. De enige stabiele zilververbinding is het sulfide (zoals in argentiet).  Hieruit blijkt zijn sterke relatie met zwavel en dus ook met eiwitten. 

Dit wordt ook zichtbaar in het beslaan (patina) van zilver door zwavelionen uit de lucht of in eiwithoudend voedsel. Zilver moet daardoor regelmatig gepoetst worden om de glans weer te laten terugkeren. 

De andere zilververbindingen (zilverzouten) zijn heel onstabiel. Zilver streeft al snel weer naar zijn metaal-toestand. Soms wordt dit alleen al door licht opgeroepen. 

Dit fenomeen legde de basis voor de (analoge) fotografie. De lichtgevoelige laag van een filmrolletje bestaat uit zilverzouten (bijvoorbeeld zilverchloride, -bromide of -jodide). Waar licht op de laag valt, slaat fijn zilvermetaal neer (zwarting). Op plaatsen met het meeste licht ontstaan de donkerste plekken (negatief beeld). Door dit zilverproces kan een moment in een beeld worden vastgelegd, bewaard en quasi eindeloos gekopieerd, weer een typisch beeld voor wat het ‘zilver-maan-proces’ wordt genoemd in de antroposofie.

In het menselijk organisme vinden verwante processen plaats, die de antroposofische geneeskunde onder de noemer ‘zilver-maan-proces’ plaatst. 

De voornaamste werkingsgebieden zijn de huid en slijmvliezen met de continue stroom zich vormende en weer afstervende cellen, de zelfherstel-processen, de regeneratie van cellen, weefsels, organen, de voortplantingsorganen en de hersenen met hun reflecterend vermogen. 

Verlopen deze processen te zwak of juist te sterk of dreigen ze te ontsporen, dan wordt zilver, Argentum, als therapie ingezet, in een gepaste homeopathische verdunning. 

Voorbeelden hiervan zijn: ontstekingen, vooral van neus, keel, oren, urinewegen of geslachtsorganen, huidproblemen (te nat of te droog), uitputtings- en zwaktetoestanden. maar ook angsten, onrust en ‘hysterische’ toestanden. Celwoekeringen kunnen wijzen op ontspoorde zilver-maanprocessen.

Sinds de oudheid wordt zilver gebruikt om zijn zuiverende werking. De Feniciërs (400 voor Christus) bijvoorbeeld maakten vaten van zilver voor het bewaren van water, wijn en azijn. 

Amerikaanse pioniers deden zilveren en koperen munten in vaten om het water schoon, dat wil zeggen bacterievrij, te houden. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was zilver een bekend bacterie- en schimmeldodend middel. 

Door de ontdekking van goedkopere ontsmettingsmiddelen en vooral door de introductie van antibiotica raakte zilver stilaan uit de gratie.

Desalniettemin begon het in de jaren zeventig van vorige eeuw aan een comeback. Experimenten wezen uit, dat zelfs bij lagere watertemperaturen, ionisatie van zacht water met zilver- en koperionen effectief was tegen bacteriën. Zilver wordt tegenwoordig gebruikt in moderne waterzuiveringssystemen, bijvoorbeeld door luchtvaartmaatschappijen en in ruimtevaartstations.

Naast oplossingen van sterk verdunde zilverionen wordt ook colloïdaal zilver ingezet. Dit is een colloïde van zeer kleine zilvermetaaldeeltjes (nanopartikels) in water (meestal gegenereerd door een elektrische vonk tussen twee ondergedompelde, zilveren elektroden). 

Tegenwoordig wordt als wetenschappelijk bewezen beschouwd dat colloïdaal zilver in vitro diverse micro-organismen doodt en dat het drinkwater zuivert. 

Het gebruik ervan als een intern medicijn, in vivo, is vooralsnog controversieel, vooral in Europa.

Oenothera is een merkwaardig plantengeslacht met grote opvallende bloemen, behorende tot de teunisbloemfamilie of Onagraceae. De oorsprong ervan ligt in Noord-Amerika, waar ze door de indianen al eeuwenlang worden gebruikt als genees- en voedingsplant. Begin zeventiende eeuw werd Oenothera naar Europa gebracht, en verwilderde er al snel.

Oenothera biennis, de middelste of gewone teunisbloem, is een van de drie soorten, die een plaats in de Europese flora hebben veroverd (naast de grote en de kleine teunisbloem). Er bestaan echter enorm veel ‘bastaarden’. Dankzij hun speciale chromosoomparing kunnen Oenothera-planten de genetische eigenschappen van de moeder- en vaderplant spontaan herschikken, waardoor sprongsgewijze veranderingen ten opzichte van de ouder-planten kunnen optreden (‘recombinatie’).

De herkomst van de geslachtsnaam ‘Oenothera’ is onduidelijk, de soortnaam ‘biennis’ betekent tweejarig. Oenothera biennis is doorgaans een tweejarige plant, maar soms is de hele plantencyclus al in één jaar doorlopen, of hij kan ook wel eens drie jaar duren.

De middelste teunisbloem kan anderhalve meter hoog worden. De plant kan op elke grond groeien, maar heeft een voorkeur voor zonnige open plekken op zanderige of stenige, losse grond, zoals in de duinen, in bermen, op braakliggende grond, tegen taluds van autowegen. 

Het eerste jaar wordt een rozet gevormd van langwerpig smalle, gladde bladeren en ondergronds een dikke, vlezige, roodachtige penwortel.

In het daaropvolgende jaar schiet uit dit rozet een forse stengel omhoog, waarlangs vele lancetvormige bladeren naar boven toe spiralen, ritmisch achter elkaar. 

Eind juni, begin juli verschijnen trossen spoelvormige bloemknoppen in de bladoksels en aan de top. 

Telkens aan het eind van de dag, circa één uur voor zonsondergang, beginnen enkele bloemen zich te openen (en te geuren). 

Dit opengaan is een unieke gebeurtenis, karakteristiek voor de teunisbloem.

De vier schutbladen, die de bloemknop omhullen, klappen in enkele seconden 180° achterover, waarna de vier spiralig opgevouwen bloembladen zich één na één schoksgewijs ontvouwen. In vijf à tien minuten is het openen voltooid. 

De grote citroengele bloem heeft een opvallend lange nauwe kelkbuis, die gemakkelijk voor een bloemsteel wordt aanzien. Onderaan bevindt zich het buisvormige vruchtbeginsel (in later stadium de zaaddoos), en bovenaan vier vergroeide hartvormige kroonbladen. 

De bloem opent zich dus naar de nacht, niet naar de zon, eerder naar de maan. De snelheid van het opengaan heeft eerder een ‘dierlijke’ signatuur dan de kwaliteit van een plantaardig ‘bewegen’. 

Met haar statige lengte, de in het donker oplichtende felgele kleur en de zoetig-kruidige geur is de teunisbloem een spectaculaire nachtbloeier, die vele insecten lokt, vooral nachtvlinders en (overdag) bijen. Zoete nectar en stuifmeel (pollen) zijn in overvloed aanwezig. Het zeer kleverige stuifmeel hangt draderig in slierten aaneen en hecht zich gemakkelijk aan de bezoekende insecten. De bevruchting verloopt dan ook zeer succesvol!

De bloei duurt maar kort, de volgende dag verwelkt de bloem reeds, wat de volksnaam  ‘vierentwintiguursbloem’ opleverde. Het merkwaardige feit dat de bloemen zich pas openen bij vallende avond, komt dan weer tot uitdrukking in namen als ‘Evening Primrose’ of ‘Evening star’ en ‘Nachtkerze’.

In onze streken is Oenothera opgedragen aan Sint Antonius (van Padua), vermoedelijk omdat de bloei start rond de naamdag van deze heilige (13 juni), en kreeg daarom de naam ‘teunisbloem’ (Antonius → Teunis, Teun).

Tot ver in oktober (wel vier maanden lang!) komen er steeds nieuwe bloemen tot ontplooiing.

De hele tijd zijn langs de stengel alle fasen tegelijk zichtbaar: aanzwellende spoelvormige knoppen, zich openende bloemen (als de avond valt), restanten van de bloei van de vorige dag, en, wat lager, rijpende vruchten.

De langwerpige doosvruchten springen bij rijpheid met vier kleppen aan de top open, waarbij vele kleine zaadjes in de lucht worden geslingerd. 1000 zaadjes samen wegen slechts een halve gram.

Hoewel elke bloem slechts 24 uur leeft en bevrucht kan worden, slaagt ze er toch in om enorm veel zaad te produceren! En dat blijft bovendien tientallen jaren kiemkrachtig. 

Teunisbloem is duidelijk een vitale, uiterst vruchtbare plant. Ook de snelle groei: in één jaar van bodemrozet tot soms wel  anderhalve meter hoogte, getuigt van een grote vitaliteit en van krachtige stofstromen door de plant.

Bij de indianen in Noord-Amerika geldt Oenothera als een plant die ‘kracht, gezondheid en vitaliteit’ schenkt. 

Alles aan de plant blijkt bovendien eetbaar en super gezond: de eerstejaars wortels (als pastinaak), de jonge stengels en bladeren (gestoofd), de bloemen (in salades), de onrijpe doosvruchten (gestoomd) en het zaad (geroosterd, als sesam- of maanzaad)!

Teunisbloem wordt tegenwoordig veel gekweekt, als sierplant, maar vooral vanwege de olie in het zaad. Voor één gram olie zijn circa 10.000 zaden nodig.

Teunisbloemolie is rijk aan onverzadigde vetzuren. Ze bevat hoge concentraties omega 6-vetzuren: linolzuur (65 tot 85%) en gamma-linoleenzuur (GLA) (tot 15%) en is (naast Borago-olie) de rijkste natuurlijke bron van dit laatste. 

In het menselijk organisme wordt gamma-linoleenzuur gevormd uit linolzuur (met behulp van co-enzym A en delta-6-desaturase) en wordt verder omgezet in de prostaglandines 1 en 3. Dit zijn op lokaal niveau werkzame hormoonachtige stoffen met onder meer een vaatverwijdende, bloeddrukverlagende, en ontstekingsremmende werking. Sommige mensen kunnen onvoldoende linolzuur omzetten en zijn aangewezen op aanvoer van gammalinoleenzuur van buitenaf, zoals via teunisbloem(- of Borago-)olie.

De olie wordt vaak in huidverzorgingsproducten verwerkt, met name voor de droge en oudere huid. Inwendige toepassing van teunisbloemolie is goed ingeburgerd als voedingssupplement (of geneesmiddel), vooral in capsulevorm (onder andere Efamol) en wordt voornamelijk toegepast bij huidproblemen (constitutioneel eczeem, ontstekingen, allergieën), slechte bloedcirculatie, constipatie, bij problemen rond menstruatie (premenstrueel syndroom), ter bevordering van een normale en regelmatige menstruatie, bij overprikkeling en stemmingswisselingen en pijnlijk gezwollen borsten en ook bij overgangsklachten zoals opvliegers.

In verschillende klinische studies werd de werking van teunisbloemolie onderzocht, voornamelijk bij eczeem en mastopathie. Hoewel de resultaten in begin veelbelovend leken, werden ze in daaropvolgende reviews weer betwijfeld (wegens onvoldoende kwaliteitsniveau van de onderzoeken).

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’*, dat er voldoende evidence is voor het inzetten van Oenothera biennis olie als ‘traditional used medicine’  voor de symptomatische vermindering van jeuk in acute en chronische drogehuidcondities.

De antroposofische geneeskunde herkent in Oenothera biennis een vitale plant met een krachtige opbouwstofwisselingstroom. Een affiniteit met de ritmisch in de stofwisseling functionerende vrouwelijke geslachtsorganen wordt onder meer afgeleid uit de sterk ritmische fenomenen in de gestalte, de merkwaardige gestiek van het plotseling openbloeien naar de nacht en de grote vruchtbaarheid.

Om al die redenen lag het voor de hand om deze plant als doorgangspoort voor de werking van zilver te kiezen. Ook Argentum heeft volgens de antroposofische geneeskunde immers een relatie tot de opbouwende stofwisselingsvitaliteit en tot de voortplantingsorganen (vooral de vrouwelijke).

Oenothera Argento culta

Nadat Oenothera biennis  gedurende drie opeenvolgende groeicycli met een speciaal bereid zilver-preparaat werd behandeld, worden de bovengrondse delen van de bloeiende plant tot geneesmiddel verwerkt.

*Final assessment report on Oenothera biennis L., Oenothera ...