print

Wat willen we nou eigenlijk?

Peter Staal

De kranten staan er vol van, we herkennen het alleen niet altijd meteen. Scholen presteren slechter, terwijl meer leerlingen burn-out raken, verslavingen toenemen en steeds meer mensen hun dagelijks leven niet meer georganiseerd krijgen. Het is terug te voeren op één vraag: wat willen we nou eigenlijk?

Patiënten, maar ook dokters, hebben een wilsprobleem. Niet krachtig genoeg beschikken over je eigen ‘vermogen’ is iets waar veel werk uit voortvloeit voor de arts. In de spreekkamer kan het menskundig ‘drieledig mensbeeld’ behulpzaam zijn bij het kijken naar problemen en mogelijke oplossingen. Het drieledig mensbeeld is even eenvoudig als ingewikkeld, maar kan op een basaal niveau al toegepast worden. Stel jezelf de vraag: ‘Waarmee denkt, voelt en handelt de mens en hoe werkt dat lichamelijk?’ Je komt dan met dit mensbeeld aanvankelijk simpel tot het antwoord:

  • Denken doe je met je hoofd
  • Voelen met je hart
  • Willen/handelen met je buik en ledematen

Het drieledig mensbeeld ziet dus de eenheid ‘mens‘ als een drie-eenheid van hoofd / hart / buik en denken, voelen, willen.
Maar als we kijken naar de maatschappelijke ontwikkelingen en de manier waarop de laatste decennia dan onderwijs gegeven wordt, zien we dat we erg gericht zijn op kennis en weten. Daarna wordt hooguit nog de vraag gesteld: ‘Wat vindt je er (zelf) van‘ of ‘Wat voel je erbij…’ Maar de vraag of je er zelf iets mee wilt doen, blijft vaak achterwege.

Intussen constateer ik dat veel mensen een wilsprobleem hebben: dat wil zeggen, ze hebben wel een voorstelling van wat ze willen bereiken (afvallen, stoppen met blowen, meer sporten, meer vrije tijd creëren etcetera), maar daar blijft het vaak bij. Het idee is er wel, maar het ‘incarneert’ niet, blijft bij een voornemen en een gevoel. Dat positief geassocieerde gevoel bij een voornemen slaat na verloop van tijd om in een negatief gevoel als iets telkens niet lukt. Maar dan komt het werkelijke handelen vaak al niet uit de verf. We blijven verslaafd, verdoofd, onmachtig, afhankelijk…

Gelukkig zijn daar de basisoefeningen* voor de ziel, die je aan je patiënten kunt meegeven en die je zelf kunt doen. De oefeningen zijn simpel maar vergen een klein beetje wilskracht om mee te starten, en geven veel wilskracht als je het een periode kunt volhouden.
Gymnastiek voor de ziel
Het zijn verbazend simpele oefeningen om te begrijpen, maar om ze ook werkelijk te doen is een tweede. Het is in ieder geval heel leuk om eens een poosje zo'n oefening te doen, bijvoorbeeld iedere dag gedurende een maand. Aan de hand van deze oefeningen doe je zelfkennis maar ook algemene mensenkennis op, zeker als je het gezamenlijk met enkele andere mensen doet en je ervaringen uitwisselt. Waag de sprong in het diepe en probeer achtereenvolgens de denkoefening, de wilsoefening, de gevoelsoefening, de oefening van de positiviteit en die van de onbevangenheid.

1.    De denkoefening
Dit is een klein oefeningetje dat je iedere dag vijf minuten kunt doen. Denk, gedurende die vijf minuten, zo exact mogelijk aan een zo simpel mogelijk voorwerp (bijvoorbeeld een naald, een potlood, een schaar, een doosje etcetera). Laat, nu je je gedachten hierop hebt gericht, je aandacht niet meer afdwalen van het onderwerp, maar zet je gedachten wel in beweging. Het gaat niet alleen om de waarneming van een voorwerp, maar iedere ter zake doende gedachte is goed.
Bijvoorbeeld: Waar komt een potlood vandaan? Hoe werd het gemaakt? Wat kan ik ermee doen? Hoe verhoudt zich een potlood tot andere schrijvende voorwerpen, etcetera, etcetera.
Hoe ingewikkelder het onderwerp, des te slechter kun je jezelf aanvankelijk onder controle houden. Begin dus met een ‘eenvoudig’ oefeningetje, dat is al moeilijk genoeg! Steiner* zegt hierover: ‘Wie het van zichzelf gedaan kan krijgen dat hij maanden achtereen dagelijks tenminste vijf minuten zijn gedachten buitensluit die niet met het voorwerp verband houden, heeft in deze richting (aankweken van standvastigheid in het denken) veel gedaan.’

2.    De wilsoefening
Deze oefening bestaat eruit dat je dagelijks een afspraak met jezelf maakt om op een bepaald tijdstip van de dag (gedurende bijvoorbeeld een week) iets kleins en volstrekt nutteloos te doen. Bijvoorbeeld: om twee uur draai ik even aan mijn horloge of: om vier uur krab ik aan mijn oorlelletje. Hoe eenvoudiger hoe beter, want dit is de ‘wil-ik-het-wel-echt-zelf-test’. Je zult ontdekken dat hiermee het wilsleven versterkt wordt. Allerlei kleine bijeffecten zijn aan deze creatieve oefening te leren voor iemand die zichzelf goed waarneemt. Leerzaam en deugdzaam dus, om deze oefening eens een tijdje te doen.

3.    De scholing van de uiting van het gevoel
Om het gevoelsleven te oefenen is het van belang dat je gaat merken hoe je gevoel eigenlijk beweegt. Wat doen de dingen met mijn gevoel en wat neem ik daar van waar? Je gevoel niet zonder meer uiten, maar eerst waarnemen en dan niet uiten, maar ‘innen’. Zo leren we gevoelens beter onder controle te krijgen, waarbij we vooral de onwillekeurige uitdrukkingen kunnen leren beheersen. Dit moet uiteraard niet leiden tot een ‘onderkoelde’ persoonlijkheid die zijn emoties niet durft te uiten, maar is bedoeld om je eigen gevoelsleven juist te activeren. Ieder die dit gedurende de dag enkele malen oefent, zal merken dat het de gemoedsrust stabiliseert. Het vereist echter een nauwkeurige zelfwaarneming gedurende de dag. Deze oefening heeft veel minder een vaststaande tijd nodig zoals de vorige, maar moet veel meer in de loop van de dag geoefend worden.

4.    De positiviteitsoefening
Bij deze oefening is het de bedoeling om je aandacht zoveel mogelijk te wenden tot al het goede dat op je afkomt gedurende de dag. Dit wil zeggen dat je het goede niet verzint, maar het waarneemt waar het is, ook al vind je het niet direct. Dat betekent niet dat je het kwade niet mag zien (integendeel, wie het goede ziet, ziet ook het kwade), maar wel dat het kwade je er niet mag van weerhouden om het goede te zien. Daardoor merk je dat je een steeds exacter beeld van de realiteit om je heen zal krijgen, maar zonder dat het negatieve je ervan belemmert, of dat het overbelicht wordt.

5.    De onbevangenheidsoefening
Deze oefening leert je om zonder vooroordelen naar de dingen te kijken. Probeer eens enkele weken lang zoveel mogelijk zonder ongeloof of vooringenomenheid naar de dingen om je heen te kijken. Probeer aan alles eens een aspect te ontdekken waarvan je kunt leren. ‘Van ieder zuchtje wind, van ieder boomblad, van ieder brabbelen van een kind kan men leren, mits men bereid is van een standpunt uit te gaan waarvan men tot dusverre niet uitging.’ Ook deze oefening kun je alleen doen als je midden in het leven staat en je het leven zelf als oefenmeester beschouwt.
Ga er maar eens aan staan: het zal mee- en tegenvallen, en je ervaart hoe moeilijk het is om er werkelijk resultaat mee te boeken. Dat levert in ieder geval een hoop piëteit op jegens je onmachtige patiënt.
 
Medicamenteus kun je de onmachtige nog ondersteunen met Myrrha comp, dat gebruikt wordt om denken, voelen en willen te harmoniseren en soms Minium D6, als mensen te weinig hun ‘onbewuste wil’ en dus hun wilsleven ervaren.
*Deze basisoefeningen heten ook wel ‘Nebenübungen’ en zijn beschreven in de ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’ (R. Steiner).

Voor een cursus, zie ook: https://peterstaal.praktijkinfo.nl/pagina/112/voordrachten-en-cursussen