print

Amara

Het geneesmiddel Amara  bevat negen bittere plantenextracten: Absinthium (herba) Ø, Cichorium intybus (planta tota) Ø, Erythraea centaurium (herba) Ø, Gentiana lutea (radix, decoctum)  Ø, Imperatoria ostruthium (rhizoma, decoctum) Ø, Juniperus communis (summitates, infusum) Ø(=D1),  Millefolium (herba, infusum) Ø, Salvia officinalis (folium, infusum) Ø(=D1), en Taraxacum officinale (planta tota) Ø.

Het preparaat wordt in de antroposofische geneeskunde voornamelijk ingezet om de functie van de bovenbuikorganen te ondersteunen, zowel de enzymproductie als de motiliteit.

Contra-indicaties zijn: zwangerschap en borstvoeding en overgevoeligheid voor composieten.

Een beschrijving van de componenten:

Artemisia absinthium of absintalsem, is een overblijvende plant uit de familie van de samengesteldbloemigen (Compositae of Asteraceae).
De plant is van oorsprong afkomstig uit het Middellandse Zeegebied, maar is al eeuwenlang als geneeskruid gekweekt en komt tegenwoordig in alle gematigde streken voor van Europa, Azië, Noord-Afrika en Noord-Amerika, tot op 2.000 m hoogte. Zij verkiest een kalk- en stikstofrijke bodem en veel zon.

Absintalsem wordt 40 tot 120 cm hoog en heeft een korte, sterk vertakte wortelstok. Hieruit schieten zilvergroene, gegroefde stengels omhoog, die zich vertakken, waarbij een bossig struikje ontstaat.  De stengels zijn donzig behaard en gaan onderaan al snel verhouten.
De decoratieve bladeren - grijsgroen van boven, mat zilverig aan de onderkant - zijn diep ingesneden met lancetvormige vrij stompe slippen en aan beide kanten wit-viltig behaard.

Absint bloeit van juli tot september met vele lichtgele, bijna bolronde bloemhoofdjes, die op korte steeltjes naar één zijde knikken. Ze bevatten uitsluitend buisbloempjes. De bloembodem is dicht bedekt met fijne witte haren.
De vruchtjes van absint zijn glad, eirond, bruin en fijn gestreept.
Het hele kruid geurt sterk aromatisch, de smaak is zeer bitter.

Artemisia absinthium is het belangrijkste kruid van de amara aromatica of aromatische bittermiddelen. Dit is een groep kruiden, die een toniserende, secretiebevorderende werking uitoefenen op het maagdarmkanaal door een hoge concentratie aan bitterstoffen, en die daarnaast ook veel etherische oliën bevatten, wat een bijkomend doorwarmend effect oplevert. Dat etherische oliën een sterk warmtekarakter hebben, getuigen onder meer de grote vluchtigheid ervan (ze vervluchtigen zonder rest) en hun hoge brandbaarheid.
Bereidingen uit de bittere absintalsem, en ook vele andere bitter smakende kruiden, stimuleren de maag-, darm-, en galsecretie, waardoor ze de verteringsprocessen bevorderen; dit is uitvoerig wetenschappelijk aangetoond (in vivo en in vitro)*. Functies als secretie, motiliteit of absorptie worden hierbij gunstig beïnvloed.  Tot voor kort ging men er van uit dat dit secretiebevorderend effect uitsluitend werd opgewekt via de (bittere) smaakreceptoren op de tong. Tegenwoordig is men ervan overtuigd dat ook ‘smaak-’receptoren in de gastro-intestinale mucosa betrokken worden.

Het proeven van bitter smakende substanties veroorzaakt een (onwillekeurig) samentrekkend effect, dat ‘bewustzijn opwekkend’ werkt. Ook verder in de stofwisseling worden door bitterstoffen ‘fijne waarnemingsprocessen’ gestimuleerd, waardoor de vertering van voedingsstoffen, in wezen lichaamsvreemde substanties, soepeler verloopt, volgens de antroposofische geneeskunde, en de lever wordt ontlast. De doorwarmende werking van de etherische oliën is hierbij een aanvulling en ondersteuning.

Artemisia absinthium wordt al eeuwenlang medicinaal toegepast, voor uiteenlopende indicaties. In het oude Egypte bijvoorbeeld werd het kruid ingezet als een antisepticum, tonicum en stimulerend middel, bij koorts en bij menstruatiepijn (Ebers papyrus).
De belangrijkste toepassingen in de volksgeneeskunde zijn: om de eetlust te bevorderen, bij indigesties, galproblemen en andere maagdarmklachten, maar het kruid wordt ook ingezet tegen parasieten en wormen, vooral rondworm en aarsmaden (Engelse naam Wormwood).

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’* (en monografie), dat de lange traditie, de vele farmacologische studies en de recentelijk vastgestelde fysiologische eigenschappen, het gebruik van Absinthiumkruid rechtvaardigen als traditioneel kruidengeneesmiddel bij milde dyspeptische, gastro-intestinale stoornissen en bij een tijdelijk verlies aan eetlust.

Absintkruid is ook al heel lang bekend als ingrediënt in alcoholische aperitieven en digestieven, zoals absintlikeur en vermout (naar Wermut, de Duitse naam van Absinthium). De smaakstoffen die daarbij een rol spelen zijn de bitterstof absinthine en het naar menthol ruikende terpeen thujon.
 In Europa was absintlikeur een van de populairste alcoholische dranken van de late 19e eeuw. Wegens de vermeende hallucinogene werking en neurotoxiciteit van thujon, een bestanddeel van de etherische olie, werd de sterke drank begin twintigste eeuw in diverse Europese landen verboden.
Later bleek dat de symptomen, vastgesteld bij chronische en intensieve absintgebruikers (‘absintisme’), ook gewoon golden voor chronisch alcoholisme in het algemeen. (Het syndroom absintisme wordt daarom tegenwoordig niet onderscheiden van chronisch alcoholisme.) Onderzoek uit 2006 heeft de psychoactieve werking van thujon slechts kunnen aantonen bij zeer hoge doseringen.
Sinds 1988 heeft de Europese unie het gebruik en verkoop van absint in alcoholische dranken weer toegelaten met een vastgelegd maximum thujongehalte per soort alcoholische drank.

*ASSESSMENT REPORT ON ARTEMISIA ABSINTHIUM L., HERBA
www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2017/10/WC500236071.pdf

Cichorium intybus, de wilde cichorei, is een overblijvende plant uit de composietenfamilie (samengesteldbloemigen of Asteraceae). Vanuit het Middellandse zeegebied heeft ze zich over de hele wereld verspreid, in alle gebieden met een warm of gematigd klimaat.

De wilde cichorei verkiest lichte, zonnige plekken en kalkrijke, niet te natte grond (zavel, klei en puin). Je ziet de plant langs velden, in droog grasland of op braakliggende terreinen, maar vooral aan de rand van de weg, in de overgang van wegdek naar berm (vandaar de Duitse naam Wegwarte of wegenwachter).

De plant wordt 30 tot 120 cm hoog (soms nog hoger) en boort zich met een vlezige penwortel diep in de bodem. Bovengronds verschijnt eerst een weelderig bladrozet. In dat stadium is de gelijkenis met de paardenbloem (Taraxacum) zo groot, dat men ooit dacht dat ‘de cichorei ontstaat uit een paardenbloem’. Het blad van de wilde cichorei is iets droger en borsteliger, maar de variatie in vormen, van scherp ingesneden en gezaagd tot bijna gaafrandig, is identiek en beide planten bevatten in alle delen een melkachtig sap.

Het volgende jaar, in juli, als de zon over haar hoogste stand heen is  - en de paardenbloem al lang gebloeid heeft - schieten de stevige, stugge, meestal behaarde bloeistengels van Cichorium omhoog.  Ze nemen onopvallende, spitse blaadjes mee naar boven en vertakken zich met hoekig heen en weer geknikte zijtakjes, waardoor relatief veel ruimte wordt ingenomen. Duidelijk zichtbaar zijn de talrijke knoppen, die kort gesteeld, dicht opeen zitten in de oksels en aan de uiteinden van de vertakkingen.

Vroeg in de ochtend, bij droog weer, ontluiken verschillende knoppen, verspreid over de plant. De mooie, grote, samengestelde bloemen richten zich naar de opstijgende zon. Elk bloemhoofdje is een stralenkrans van hemelsblauwe lintbloempjes.   
Zo’n zes uur later beginnen de bloemen zich al weer langzaam te sluiten, om nooit meer open te gaan. Ze verbleken en verwelken. Maar, elke ochtend (van de bloeitijd) verschijnen nieuwe bloemen, als lichtflitsen verstrooid over de plant. De totale bloei van de plant gaat lang door, vaak tot ver in de herfst. De voorraad knoppen lijkt onuitputtelijk, er zitten tot wel tweeduizend aan één plant!
In de gesloten kelken ontwikkelen zich kleine hokkige vruchtjes, zonder vleugeltjes of vruchtpluis; ze vallen, losgeschud door de wind, in de buurt van de moederplant op de grond.

In Cichorium intybus werden heel wat interessante inhoudsstoffen geïdentificeerd, zoals aromatische cumarineverbindingen, vele flavonoïden, organische zuren, seleniumverbindingen, anthocyaan-kleurstoffen (in de bloemen), maar vooral veel bitter smakende sesquiterpeenlactonen.  
Waar de smaak van een paardenbloemblad slechts mild bitter is, en die van een bloem ervan zelfs eerder zoetig, is de wilde cichorei zeer bitter van wortel tot bloem. De karakteristieke bitterstof is het sesquiterpeenlacton lactucopicrine (of intybine). Deze stof is bekend als acetylcholinesterase-remmer en om zijn antimalaria effect.
De grootste hoeveelheid bitter melksap zit geconcentreerd in de wortel.

Naast bitterstoffen bevat de cichoreiwortel ook veel inuline. Deze stof behoort tot de fructanen, polysachariden opgebouwd uit ketens van fructosemoleculen met aan het eind een glucosemolecule.
Inuline wordt niet opgenomen vanuit de dunne darm, omdat de mens het nodige enzym mist om deze fructoseverbindingen af te breken. De stof wordt pas in de dikke darm afgebroken door darmbacteriën, waaronder bepaalde bifidobacteriën, die dit enzym (inulase) wel bezitten. De groei van deze ‘goede’ bacteriën wordt door inuline gestimuleerd, dat daarom tot de prebiotica wordt gerekend. Bij de afbraak van inuline worden diverse organische zuren geproduceerd, zoals melkzuur, en ook gassen.

Uit cichoreiwortel gewonnen inuline wordt tegenwoordig op industriële schaal gebruikt voor de productie van fructose en 5-hydroxymethylfurfunal (HMF), een grondstof voor de polymeer industrie. Cichorei is een van de weinige planten met hoge winstgevende hoeveelheden inuline in de wortels (19% van het versgewicht van de wortel).
In de voedselindustrie wordt inuline gebruikt als vervanger voor suiker, vet en bloem, in brood- en banketproducten, zuivel, ontbijtgranen en repen (meestal nadat het eerst gehydrolyseerd werd tot oligofructose).

Het gebruik van geroosterde, gemalen cichoreiwortels om een koffieachtige drank te bereiden is al heel lang bekend. Toen de koffieboon opkwam, diende de wilde cichorei enkel nog als smaakversterker of verdween helemaal. In perioden van schaarste, zoals tijdens de beide wereldoorlogen, werd de wilde cichorei als koffiesurrogaat telkens weer in ere hersteld.  Tegenwoordig is het nog steeds een onderdeel van de zogenaamde granenkoffie.

Uit de wilde cichorei zijn een aantal groentesoorten ontstaan, zoals groenlof en Brussels lof of witlof; deze zijn voller en sappiger van blad en minder bitter, maar ook veel minder geneeskrachtig.
Al van voor onze jaartelling stond Cichorium bekend als een geneesplant, die de spijsvertering bevordert. In de volksgeneeskunde en fytotherapie wordt de plant traditioneel gebruikt bij maag- en leverklachten, verstoppingen en een gebrek aan eetlust.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) stelde in een ‘assessment report’* vast, dat Cichorum intybus wortel een lange traditie heeft in Europa, en dat het traditioneel gebruik ervan bij digestieve stoornissen en verlies van eetlust goed is gedocumenteerd in verschillende handboeken. De chemische samenstelling, met vooral de bittere sesquiterpenen, die de eetlust kunnen stimuleren, de vele farmacologische studies, waarin een breed spectrum aan metabole effecten  werden waargenomen, zoals een cholesterolverlagend effect en een antidiabetes effect, en de in dierproeven waargenomen galbevorderende activiteit, maken het traditioneel gebruik ervan plausibel.
Als conclusie wordt gesteld dat er voldoende evidence is voor de toepassing van  Cichorum intybus wortel als een “traditioneel kruidengeneesmiddel voor de verlichting van symptomen gerelateerd aan milde digestieve stoornissen (zoals een vol gevoel in het abdomen, opgeblazenheid, winderigheid en trage vertering) en tijdelijk verlies aan eetlust.”

(De beschikbare data voor het gebruik van mengsels van bladeren en wortelmateriaal van Cichorium intybus worden als onvoldoende beschouwd, omdat de verhouding blad/wortel van deze mengsels niet werd gedocumenteerd.)
Met het oog op gedocumenteerde allergische reacties en kruisgevoeligheden met species van de composietenfamilie, wordt aanbevolen om Cichorium intybus te vermijden bij individuen met een bekende overgevoeligheid voor sesquiterpenen bevattende leden van deze plantenfamilie.

Met haar krachtig bitterstof- en melksapproces en haar ontzaglijk actieve, zich steeds weer vernieuwende bloeiproces, wordt Cichorium intybus in de antroposofische geneeskunde beschouwd als een van de ‘grote’ geneesplanten, met een brede en diepe inwerking op de stofwisseling. De bijzondere samenstelling aan minerale bestanddelen – kiezelzuur en alkalische zouten – draagt hiertoe bij, volgens de antroposofische geneeskunde. In de as vindt men 20 tot 30% kaliumoxide, circa 7% kiezelzuur, 6 tot 12% magnesiumoxide, 8 tot 16% natriumoxide, 1 tot 2% ijzeroxide.
Cichorium wordt hoofdzakelijk toegepast bij klachten die het gevolg zijn van stoornissen in de bovenste spijsverteringsorganen, in brede zin.
Naargelang het beoogde doel wordt de gehele bloeiende plant of de wortel alleen ingezet.



*Assessment report on Cichorium intybus L., radix
www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2012/06/WC500128745.pdf

Erythraea centaurium, echt duizendguldenkruid, is een lieflijk plantje uit de gentiaanfamilie (Gentianaceae). De botanische naam ervan is eigenlijk Centaurium erythraea.
Het één- of tweejarige plantje is inheems in geheel Europa, tot op 1400 m hoogte, met uitzondering van het noorden. Het verkiest lichte, zonnige, tamelijk vochtige plekken en een lemig-zanderige, kalkrijke bodem.

De geslachtsnaam Centaurium is vermoedelijk ontstaan uit het Griekse kentaúros (κέντάύρός), waarmee in de Griekse mythologie een wezen ‘half mens-half paard’ (centaur) werd bedoeld. Centauren golden als bijzonder kundig op het gebied van genezen. Centaurium werd al spoedig als centum auri of "honderd goudstukken" uitgelegd, en later, vanwege de hoge waardering voor dit kruid, vertienvoudigd tot “duizend gulden”. De soortnaam erythraea betekent roodachtig, en verwijst naar de kleur van de bloemen.

Echt duizendguldenkruid wordt 5 tot 50 cm hoog en vertakt zich weinig. Vanuit een kleine, tere wortel wordt eerst een bodemrozet gevormd van sappige, rond-ovale bladeren.
Dan stijgt een dunne stengel omhoog met enkele paren kleine sierlijk toegespitste bladeren.

Bovenaan vertakt de stengel zich en verschijnen kleine, zacht- tot hardroze bloemen in losse trosjes. De bloempjes hebben een buisvormige kroon die aan de rand in vijf is gespleten en geuren zwak. Ze blijken zeer gevoelig: ze sluiten zich als de zon verdwijnt en het koel wordt of bij aanraking.

De vrucht is een doosvrucht met talrijke kleine zaadjes, die door de wind worden verspreid.
Het gehele kruid is sterk bitter.

Echt duizendguldenkruid wordt al eeuwenlang in de volksgeneeskunde toegepast, onder meer als koortsverlagend middel (vandaar de volksnamen koortskruid en koortsbloemen), als aansterkend middel en sedativum, om wonden te reinigen, bij slangenbeten, maar bovenal ter verlichting van  spijsverteringsproblemen als een opgeblazen gevoel, pijn in de maagstreek of zuuroprispingen.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) stelde in een ‘assessment report’* vast, dat het gebruik van Centaurium erythraea, herba, bij digestieve stoornissen en bij een (tijdelijk) verlies aan eetlust, een lange traditie kent in Europa en voldoende gedocumenteerd is, dat de resultaten van in vitro en in vivo studies (met extracten en geïsoleerde bestanddelen) dit traditionele gebruik  ondersteunen en dat het veilige gebruik van preparaten met Centaurium voldoende is aangetoond.
Experimentele data ter onderbouwing van de koortsverlagende werking worden nog als te beperkt en te onvolledig beschouwd.

Het ‘werkingsmechanisme’ van Centaurium erythraea is nog niet helemaal duidelijk. Als de belangrijkste bestanddelen worden de karakteristieke bitterstoffen beschouwd (secoiridoide glucosiden, waarvan 75% swertiamarin). Maar ook xanthonen, fenolzuren (oleanolzuur) en andere ingrediënten zouden bijdragen aan de werking, zodat de farmacologische activiteit van het kruid in het algemeen aan het totale extract wordt toebedeeld.

In de antroposofische geneeskunde wordt Centaurium erythraea (preparaatnaam Erythraea centaurium) ingezet om de ritmische processen in de stofwisseling te stimuleren. Preparaten uit het bloeiende kruid (zonder wortel) worden voornamelijk voorgeschreven bij gebrek aan eetlust, een zwakke maag, zuurbranden, ter stimulering van de lever-galactiviteit, en bij geelzucht.


*Assessment report on Centaurium erythraea Rafn. s.l., herba www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2016/01/WC500200306.pdf
24 November 2015 . EMA/HMPC/277491/2015 . Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC)

Gentiana lutea is een vaste plant uit de gentiaanfamilie (Gentianaceae).

Wie aan ‘gentiaan’ denkt, ziet in de regel een klein plantje voor zich met grote felblauwe bloemen. De als geneesplant gebruikte soort Gentiana lutea bloeit echter goudgeel - lutea betekent geel - en kan manshoog worden.

De gele gentiaan komt voor in de Alpen en andere Centraal- en Zuid-Europese gebergten, op kalkhoudende grond, meestal op een hoogte van 1000 tot 2500 meter.
De plant staat tegenwoordig onder strenge natuurbescherming.

Met haar enorme, vlezig verdikte wortelstok van wel een meter lang en tot zeven kilo zwaar, kan de gentiaan zich handhaven op de meest rotsachtige bodem.
Om te ontkiemen heeft de plant licht en vorst nodig. Gentiana lutea groeit langzaam. Daar staat tegenover dat ze 40 tot 60 jaar oud kan worden.
De eerste vijf tot zeven (soms tien) jaar blijft ze laag bij de grond en vormt een rozet van grote ovale bladeren met overlangse, sterk geprononceerde nerven.
Wanneer de wortelstok stevig genoeg is om de imposante bloemenpracht te vormen, stijgt een krachtige, lange bloeistengel kaarsrecht omhoog. Op verschillende hoogten zitten paren  tegenoverstaande bladeren, die de stengel omgorden en zo telkens een ‘schaal’ vormen voor een dichte krans van drie tot tien bloemen. Tot wel honderd stralend gele bloemen kan één plant dragen, in tien etages!

In de eivormige zaaddozen rijpen een enorme hoeveelheid zaadjes, die door de wind worden verspreid.
Van oudsher worden de wortelstokken uitgegraven omdat ze rijk zijn aan waardevolle bitterstoffen en suikers. De medicinale toepassing van gentiaanwortelbereidingen kent een lange traditie,  voornamelijk als bitter tonicum bij spijsverteringsproblemen en gebrek aan eetlust.

De hoeveelheid aan bittere bestanddelen hangt af van het jaargetijde, de leeftijd van de wortel en de hoogte. Het totale bitterstoffengehalte bereikt haar maximum in de lente en daalt in de zomer tot een minimum, terwijl de suikerconcentratie de omgekeerde tendens volgt.

De bitterste bestanddelen behoren tot de klasse van de seco-iridoid-glycosiden, waarbij gentiopicroside (met bitterwaarde* 12.000) de belangrijkste is wat hoeveelheid betreft en amarogentine (met bitterwaarde 58 miljoen!) bekend staat als de meest bittere plantaardige substantie op aarde.
Gentiana lutea wordt de koningin van de bitterplanten genoemd.

Verdere belangrijke inhoudsstoffen van gentiaanwortel zijn de xanthonen (gele pigmenten onder meer verantwoordelijk voor de gele kleur van de wortel), en de etherische olie (geeft karakteristiek aroma aan bereidingen), fytosterolen en triterpenen.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) stelde in een ‘assessment report’** vast, dat Gentianae luteae radix in Europa een welbekend kruidengeneesmiddel is en dat het medicinale gebruik bij ‘digestieve stoornissen en verlies van eetlust’ continu werd gedocumenteerd in vele welbekende handboeken. Ook andere mogelijke farmacodynamische werkingen werden beschreven, zoals antibacteriële, antifungische, antioxidant-, immunologische en leverbeschermende eigenschappen.
Verder wordt gesteld dat resultaten van vele in vitro en in vivo studies op dieren het traditioneel gebruik onderbouwen. De  experimentele data ondersteunen de lang bekende werking van bitterstoffen, namelijk dat ze de maagsap- en galsecretie doen stijgen via stimulering van smaakzenuwen in de mond en mogelijk directe stimulatie in de maag (vastgesteld bij gentiaanwortelpreparaten in capsules). Hoe dit exact gebeurt is echter nog niet volledig bekend.

Gentiaanwortel wordt vaak gebruikt in combinatie met andere bittermiddelen of andere kruidenpreparaten, die eveneens worden gebruikt


* de bitterwaarde van een product komt overeen met de laagste verdunning ervan die nog steeds een bittere smaak heeft (bepaald in vergelijking met kininehydrochloride, waarvan de bitterwaarde is gesteld op 200.000).

**ASSESSMENT REPORT ON GENTIANA LUTEA L., RADIX www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2010/03/WC500075297.pdf

Meesterwortel, Imperatoria ostruthium, met botanische naam Peucedanum ostruthium, is een overblijvende plant uit de schermbloemenfamilie (Apiaceae of Umbelliferae).
De plant is inheems in de gebergten van Centraal- en Zuid-Europa, maar heeft zich ook daarbuiten breed verspreid, doordat hij veel gecultiveerd werd.
Imperatoria ostruthium verkiest zonnige tot licht beschaduwde plaatsen en vochtige, voedselrijke grond, hoog in de bergen.

Ondergronds vormt hij een sterke knolvormige, vezelrijke wortelstok, die, vooral in het voorjaar veel wit melksap bevat, dat aan de lucht gelig verkleurt.
Bovengronds stuurt hij een groene stevige stengel omhoog, van 40 cm tot een meter hoog (en vaak meerdere uitlopers). De stengel vertakt zich weinig, is rolrond, gegroefd en meestal hol.
Bladeren gaan mee omhoog, de onderste met brede drie- tot negenvoudige segmenten en gezaagde rand, de bovenste kleiner, met buikige schede, die vaak roodachtig is.

In de zomer gaat de plant rijkelijk bloeien met luchtige, vlakke schermen, die bestaan uit twintig tot soms zestig dunne stralen, van ongelijke lengte, met vele kleine witte (of soms roze) bloempjes bezet.
De ronde, sterk afgeplatte vruchtjes hebben een opvallend brede gevleugelde rand.

De hele plant is rijk aan etherische olie en ruikt kruidig aromatisch, naar selderij, lavas en engelwortel. Het jonge blad wordt als keukenkruid gebruikt.
De wortel smaakt scherp, bitter, bij het kauwen vurig-aromatisch en geeft een overvloedige speekselvloed.
Belangrijke inhoudsstoffen, naast de etherische olie, zijn talrijke cumarinen en furocumarinen, bitterstoffen en hars.

De namen ‘Imperatoria’, of keizerlijke, Magistrantia, meesterwortel (masterwort, Meisterwurz) verwijzen naar de meesterlijke geneeskrachten die aan de plant werden toegeschreven. De ’hete‘ wortel werd met name tegen ’koude‘ ziektes gebruikt.
Traditionele toepassingen zijn onder meer als expectorans bij taai slijm, als maagversterkend en krampstillend middel, bij een opgezet gevoel, gebrek aan eetlust, bij diarree, als koortswerend middel, omwille van de urine- en zweetdrijvende eigenschappen, bij jicht en reuma en bij bloedvergiftiging.

Tegenwoordig wordt de meesterwortel in de geneeskunde en zelfs in de fytotherapie niet meer zo veel toegepast. Behalve dan in de bergstreken waar hij al eeuwenlang groeit, zoals in Zwitserland. Daar is het een van de meest gebruikte volksgeneesmiddelen. Ook wordt er een maagbitter uit gemaakt als eetlustopwekkend en maag-verwarmend aperitief.

De jeneverbesstruik, Juniperus communis, is een conifeer uit de cipresfamilie (Cupressaceae), die zich praktisch over het gehele noordelijke halfrond heeft verspreid, tot aan de poolcirkel en tot op grote hoogten.
Als lichtminnende plant wordt hij vooral op open plaatsen aangetroffen en als onderhout in lichte bossen. Jeneverbesstruiken groeien heel langzaam en worden vaak overwoekerd door sneller groeiende loof- en naaldbomen.
In gunstige omstandigheden kan Juniperus communis een boomlengte van zes, tot soms tien meter halen. Eenmaal uitgegroeid is hij sterk en taai, met hard hout, en kan dan enorme droogte en arme situaties verdragen (schrale, zure, zandige bodem) en zelfs halfschaduw. Vaak maakt hij ook afleggers (takken op de grond die wortel schieten), waardoor de struik steeds uitbreidt.
De plant kan zeer oud worden, gemakkelijk tweehonderd jaar, volgens sommige bronnen zelfs tweeduizend jaar.

De jeneverbesstruik vertakt zich sterk met bundels rechtopstaande takken. De kroon is zo dicht dat er bijna geen licht door valt. Bij mistig weer of in de schemering lijken de donkere silhouetten soms monsterachtige wezens.
De blauwig groene bladeren zijn samengetrokken tot uiterst scherpe naalden, ze zitten in kransen  rond de takken. Aan de bovenzijde loopt één witte streep.

Juniperus communis bloeit in april/mei, weinig opvallend. Hij is tweehuizig: ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ bloemen komen niet op eenzelfde plant voor. De mannelijke (stuifmeel)bloemen zijn geelachtig, de vrouwelijke (stamper)bloemen zijn lichtgroen en dragen schubben. Het stuifmeel wordt door de wind vervoerd.

Na bevruchting worden de schutbladen van de vrouwelijke bloem vlezig, en vergroeien tot een op een bes lijkende kegelvrucht. Het rijpen ervan strekt zich uit over twee (soms drie) jaar. Na overwintering kleuren ze langzaam van groen naar donkerblauw, mat berijpt met een waslaagje. Aan de top zit een driepuntige spleet.

De geur van de bessen is harsachtig, kruidig, sterk, de smaak kruidig bitterzoet, met een peperige nasmaak. Jeneverbessen worden gebruikt als keukenkruid (vooral in zuurkool en in marinades voor wild, vis en gevogelte) en voor het aromatiseren van ‘jenever’ (de drank dankt zijn naam aan de bes) en een aantal andere sterke dranken (zoals gin, aquavit, Bénédictine).
De harsig geurende takken worden, samen met beukenhout, gebruikt voor het roken van ham of bij het grillen van vis.
In de oudheid rookte men er woningen mee uit in tijden van besmettelijke ziekten, zoals de pest.


Zowel de bessen* als de etherische olie**, gedestilleerd uit de bessen of uit de twijgen, worden al meer dan tweeduizend jaar therapeutisch toegepast, voornamelijk als urinedrijvend, spijsverteringbevorderend en eetlustopwekkend middel. Deze traditionele toepassingen worden door het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) als plausibel geaccepteerd.
Een belangrijk deel van de therapeutische eigenschappen wordt toegeschreven aan de samenstelling van de etherische olie (voornamelijk terpeenkoolwaterstoffen).

In het Weleda geneesmiddel Amara worden niet de bessen van Juniperus communis verwerkt, maar de kruidig aromatisch geurende jonge twijgen (groeispitsen), summitates.


*Assessment report on Juniperus communis L., pseudo- fructus http://www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2011/02/WC500102144.pdf

**Assessment report on Juniperus communis L., aetheroleum www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2011/06/WC500108056.pdf

Achillea millefolium of Gewoon duizendblad is een overblijvende plant met een kruipende wortelstok, die uitlopers vormt en gemakkelijk gaat overheersen. Het aromatische kruid, dat een meter hoog kan worden, komt algemeen voor op het noordelijk halfrond. Het verkiest zonnige plekken en een redelijk droge, lichte bodem en wordt vooral aangetroffen op wat schrale graslanden (tot op grote hoogten),  braakliggende terreinen en dijken, langs paden en wegen en als onkruid in tuinen. Duizendblad is een sterke plant, die goed bestand is tegen droogte, koude en hitte.

De geslachtsnaam ‘Achillea’ verwijst naar de Griekse veldheer Achilles, die het kruid op zijn krijgstochten meenam om oorlogswonden te verzorgen.
De Latijnse soortnaam ‘millefolium’ die hetzelfde betekent als het Nederlandse ‘duizendblad’, dankt de plant aan het karakteristieke, langwerpige blad, dat in zoveel luchtige slipjes is ingesneden, dat het kantwerk lijkt.

Vanuit het tegen de grond liggend bladrozet rijst, begin zomer, een houtig-harde bloeistengel omhoog, met platte schermachtige trossen kleine, witte of roze bloemen aan de top. Duizendblad hoort echter niet tot de schermbloemigen, maar tot de familie van de composieten. Wat er in een ‘bloeischerm’ uitziet als een enkele bloem, is in werkelijkheid een bloemhoofdje, samengesteld uit een geel hartje van buisvormige bloempjes en een krans wittige lintbloempjes er omheen.
De vrucht is een langwerpig witgrijs nootje, dat iets gevleugeld is en smalle ribben vertoont.
De hele plant geurt aromatisch, kruidig.

Millefolium heeft een sterke relatie tot licht. Het is een ‘lichtkiemer’, het zaad heeft licht nodig om te kunnen ontkiemen. De bladeren lijken door de fijne ciselering als ‘getekend’ door het licht, dat er overal doorheen kan stromen.
Ook het warmte-element neemt de plant sterk in zich op, waardoor aromatische stoffen, etherische oliën en harsen, niet alleen in de bloemtoppen aanwezig zijn, maar ook in stengel en blad.

Naast verfijning in de bladvorm, hoge organisatie in de bloeiwijze en een neiging tot vegetatieve woekering in de wortelstok, toont Millefolium ook een duidelijke tendens tot starheid, uitdroging en ‘standvastigheid’. Dit uit zich onder meer in de hardheid van de stijve, rechtopstaande stengel,  en in de trage, gestage wijze waarop knoop na knoop, blad na blad worden opgebouwd. Die tendens werkt door tot in de bloei, die zich slechts langzaam tenvolle ontplooit, maar dan maandenlang, tot aan de eerste sneeuw, zo goed als onveranderd blijft. De bloeiende toppen worden graag in droogboeketten verwerkt.
Bij al die kwaliteiten voegt zich het zoutige karakter, dat zich onder meer uitdrukt in het hoge gehalte aan kalium in de as. Geur en smaak hebben iets ‘verdichtends’, samentrekkend, bitter en tegelijk aromatisch.

Duizendblad behoort tot de oudste en meest gebruikte geneesplanten van de mensheid. Het kruid wordt al eeuwenlang gebruikt in de volksgeneeskunde om zijn bloedstelpende en wondhelende eigenschappen, tegenwoordig grotendeels toegeschreven aan de looistoffen die het bevat.
Door zijn hoog gehalte aan bitterstoffen wordt duizendblad gebruikt als tonicum bij maagstoornissen, als eetlustopwekkend middel en om misselijkheid en zuuroprispingen tegen te gaan; het zou ook de galsecretie bevorderen.
Van de etherische olie (met proazulenen), die veel gelijkenissen vertoont met kamille-olie, werden spasmolytische eigenschappen vastgesteld, wat de toepassing van duizendblad-bereidingen bij maag-darmkolieken, winderigheid en bij menstruatiepijnen rechtvaardigt, en ook ontsmettende en ontsteking remmende effecten.
De stimulerende en regulerende werking op de bloedsomloop wordt voornamelijk toegeschreven aan de aanwezige flavonoïden.

De antroposofische geneeskunde herkent in Millefolium een beheerser van tegengestelde krachten, die er meesterlijk in slaagt om een harmonisch evenwicht te bewaren tussen oplossings- en omvormingsprocessen enerzijds en substantievormende, verdichtende en vormbewarende processen anderzijds. Hierop steunen de vele toepassingen zowel in- als uitwendig.
Millefoliumpreparaten worden vooral ingezet bij allerlei ontstekingen en krampen, zoals urineweginfecties, hepatitis, misselijkheid en braken. De 10% zalf wordt op de leverstreek aangebracht.

Salvia officinalis, de echte salie, is een overblijvende plant, die uit het Middellandse Zeegebied stamt, maar in geen enkele Europese kruidentuin ontbreekt.
Zoals lavendel, tijm en rozemarijn, behoort de plant tot de Lipbloemigen of Labiaten. Typische kenmerken van deze familie zijn de kruisgewijs staande bladeren en de vierkantige stengel.
De meeste Labiaten groeien uit tot wat stugge struikjes, die al snel gaan verhouten.
Bij salie is die neiging tot ‘vast, verdicht worden’ sterk aanwezig. Het ruwe, droge, lancetvormige blad, met zijn geringe plasticiteit, past goed in dit beeld, evenals de rijkelijke vorming van looistoffen en zoutafzettingen (calciumoxalaten).

Bovenal echter is salie - zoals de meeste Labiaten - een echte ‘zomerplant’, die de zonnewarmte diep in zich naar binnen haalt. Vooruitlopend op het bloeiproces beginnen blad en stengel al te geuren.
Er worden vurig-aromatische substanties gevormd: etherische oliën en harsen. Krachtig aromatisch is de geur van salie, gelijkend op die van rozemarijn, maar steviger, ‘aardser’.

De bloei is uitbundig met grote, nectarrijke, blauw-violette bloemen. Door de wijd geopende boven- en onderlippen en de lange bloembuis die zich als een ‘mal’ om een bij of hommel sluit, heeft elke Labiatenbloem iets ‘dierlijks’. De saliebloem ‘reageert’ zelfs met een tegenbeweging: meeldraden klappen omlaag en bestrijken de rug van het insect met stuifmeel; de stempel “likt” het stuifmeel af.

Op therapeutisch vlak staat, volgens de antroposofische geneeskunde, bij de meeste Labiaten het doorwarmen op de voorgrond, vooral van spijsverterings- en ademhalingsorganen. Bij Salvia officinalis speelt bovendien de samentrekkende en ‘doorvormende’ werking van de looistofprocessen een belangrijke rol en de aanwezigheid van de vele bitterstoffen ondersteunt het spijsvertering bevorderend effect. De secretie van klieren naar binnen toe wordt gestimuleerd, terwijl die naar buiten toe, zoals de zweetsecretie en melkvorming, juist wordt geremd.

Naast de etherische olie - rijk aan thujon (zoals absintalsem) en aan cineol en kamfer -, de looistoffen en bitterstoffen, worden verder als belangrijke inhoudsstoffen beschouwd: de triterpenen, flavonoïden, steroïden, saponinen en harsen.

In de fytotherapie staat Salvia officinalis bekend als een carminativum (gasverdrijvend middel) en een cholereticum (galbevorderend middel). Ook wordt een bloedsuikerverlagende en oestrogene werking beschreven.
Omwille van de adstringerende en licht antiseptische werking worden saliepreparaten traditioneel aangewend bij ontstekingen van de ademhalingswegen, van de maagdarmtractus en van de slokdarm. Ook als mondwater en spoelmiddel. Omslagen doordrenkt met salieaftreksel worden bij de verzorging van slecht helende wonden ingezet.

Het Europees geneesmiddelenagentschap stelde in een assessment report* vast dat er een lange medische traditie is van saliebladbereidingen en dat verschillende klinische studies de traditionele toepassingen ondersteunen.  Geconcludeerd wordt dat er voldoende evidence is voor het traditioneel gebruik van salieblad bij milde dyspeptische klachten, zoals brandend maagzuur en opgeblazenheid, bij overmatig zweten, ontstekingen in mond en keel en kleine huidontstekingen.

Het gebruik van salieblad wordt als veilig beschouwd. De zuivere etherische olie kan bij zeer hoge doseringen aanleiding geven tot epileptiforme reacties. Voor de aanwezigheid van thujon is een maximum gehalte vastgelegd.

 *Final assessment report on Salvia officinalis L., folium and Salvia officinalis L., aetheroleum - Revision 1
www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2017/07/WC500231352.pdf

Taraxacum officinale, de gewone paardenbloem, is in onze streken een van de meest bekende en meest verspreide planten. Het is een overblijvende plant behorende tot de samengesteldbloemigen of composieten (Asteraceae). Het algemeen kenmerk van deze plantenfamilie is dat vele bloemen samen op één bloembodem staan, waardoor een ‘bloemhoofdje’ gevormd wordt, dat er uitziet als een enkele bloem. Elk individueel bloempje is ondergeschikt aan het geheel, wat de bloeiwijze op een hoger niveau tilt. Dit maakt de composieten tot de hoogst georganiseerde plantenfamilie.

Een samengestelde bloem kan uit een hart van buisbloempjes en een rand van lintbloempjes bestaan (bijvoorbeeld bij de kamille, Arnica en Calendula), maar kan ook uit alleen buisbloempjes opgebouwd zijn (bijvoorbeeld bij distels als Onopordon en Carduus marianus) of uit alleen maar lintbloempjes. Dit laatste is het geval bij de paardenbloem.

Met een zeer levenskrachtige penwortel boort Taraxacum zich (decimeters) diep in de aarde. Een paardenbloem kan men heel moeilijk “met wortel en al uitroeien”, er blijft altijd wel een stukje zitten dat weer gaat schieten.

Blad na blad verschijnt, sappig groen van kleur, vaak met een dieprode tint aan de middennerf naar de basis toe. De bladeren gaan niet langs een stengel omhoog, maar blijven in een rozet dicht tegen de bodem aan.

Een paardenbloemblad is heel herkenbaar, en toch zijn er geen twee planten met identiek dezelfde bladeren.
De groeiomstandigheden spelen hierbij een cruciale rol en leiden tot ontelbare bladvormvarianten. Groeit een paardenbloem op een schaduwrijke, vochtige plek, dan krijgt ze relatief grote, weinig ingesneden bladeren. Staat ze meer in het licht en op drogere grond, dan verschijnen de typische diepe, ritmische insnijdingen in de bladrand, waaraan de plant de Latijnse naam Dens leonis of leeuwentand dankt, Löwenzahn in het Duits, Dent de lion in het Frans, in het Engels verbasterd tot Dandelion.
 
Al vroeg in het voorjaar stijgt uit het bladrozet een holle bloemstengel op, vrij van blad, met aan de top één zonnig-geel stralende (samengestelde) bloem. De knop was al de vorige herfst aangelegd en bleef de hele winter bewaard, iets in de aarde teruggetrokken.
Het bloemhoofdje bevat uitsluitend lintbloempjes, geel van kleur, aan de onderzijde grijsblauw gestreept. Bij het in bloei komen zetten de lintbloemen zich in het horizontale vlak.
De plant bevat volop nectar voor de bijen. Toch plant ze zich in onze streken zelden voort door kruisbestuiving. De voortplanting geschiedt meestal op ongeslachtelijke wijze, waarbij zaad gevormd wordt uit onbevruchte eicellen (apomixie). De paardenbloem kloont zichzelf op deze manier.

Na de bloei sluit het bloemhoofdje zich weer in het groene omwindsel en krijgt even terug het uiterlijk van de knop. En dan, op een dag, opent de ‘knop’ zich: de verdorde gele kroonblaadjes worden als een bundeltje afgeworpen en een ragfijne, zijdeachtig witte pluizenbol ontvouwt zich. Het vruchtpluis (pappus) met steeltje (als een parachute) geeft elk nootvruchtje vliegvermogen. Wanneer alles vervlogen is, blijft de bloembodem kaal, wit achter.

Kenmerkend is ook het witte, sterk bittere melksap dat de hele plant doortrekt, in de lente vooral de jonge bladeren, in de zomer meer de wortel. Het sap kleurt donkerbruin aan de lucht, en veroorzaakt moeilijk te verwijderen vlekken op huid en kleren.
De gehele plant heeft een ‘waterig’, ‘sappig’ uitzicht. Water is hét element van alles wat met leven te maken heeft en deze voorjaarsplant zit boordevol vitaliteit, dat blijkt alleen al uit haar enorme regeneratievermogen (hardnekkig ‘onkruid’).
Een frisgroene lenteweide vol paardenbloemen geeft een prachtig beeld van wat aan opbouwkrachten in de natuur werkzaam is.
Het hoge gehalte aan kaliumzouten (vooral in het blad) (40% K2O in de as) brengt de antroposofische geneeskunde in verband met die levenskracht.

Niet alleen met het waterige, maar ook met het licht heeft de paardenbloem een bijzondere relatie. Een duidelijke uiting van die hoge lichtgevoeligheid is het direct antwoorden op licht- en schaduw-verhoudingen met een specifieke bladvormvariant. De bladinsnijdingen zijn als een graadmeter te beschouwen voor de samenwerking tussen licht (‘lichtether’) en water (‘chemische ether’) op de groeiplek.
Ook de bloemen reageren zeer gevoelig op wisselende lichtomstandigheden: bij zon ontvouwen ze zich, ‘s nachts en bij regenweer sluiten ze zich volledig.

Deze lichtgevoeligheid is, volgens de antroposofische geneeskunde, verbonden met de ‘kiezelprocessen’ in de plant. Die bemiddelen met de ‘kosmische licht- en vormkrachten’ en met de werking van de planeten Saturnus, Jupiter en Mars. Om deze eigenschap wordt Taraxacum gebruikt in de BD-landbouw, als preparaat in de kompostbereiding.
Bij analyse van de as vindt men inderdaad aanzienlijke hoeveelheden kiezelzuur (siliciumdioxide) (7%). Het element silicium heeft iets bijzonders met licht. Het wordt gebruikt in zonnepanelen om zonlicht in energie om te zetten en bergkristal, de zuiverste kristalvorm van siliciumdioxide, is volledig doorlaatbaar voor licht, zelfs voor UV-licht.
In de as van Taraxacum is nog een ‘licht-element’ opvallend aanwezig: magnesium, het voor de fotosynthese cruciale element in het bladgroen (chlorofyl).
De grote hoeveelheid gele (xanthofyl-)kleurstoffen, verwant aan vitamine A, die gevormd worden in bloem en blad, hoort ook bij deze ‘licht’-karakteristieken.

Als substanties zijn in het melksap vooral bitterstoffen aanwezig, flavonoïden, talrijke enzymen, een rubberachtige substantie, wassen, inuline en suikers. Inuline is het reservezetmeel van de composietenfamilie. Het bestaat uit een keten van drie tot maximaal honderd fructosemoleculen met aan het eind van de keten één glucosemolecule. In de herfst- en winterperiode wordt inuline hoofdzakelijk opgeslagen in de ondergrondse delen van de composieten, om in de lente weer in suiker over te gaan, die dan in de opschietende plant omhoog stijgt.
Bij Taraxacum is dit suikerstofwisselingsproces zeer intensief. In de herfst bedraagt het inuline-gehalte in de wortel ongeveer 40% en in de lente slechts 2%.

Paardenbloem wordt traditioneel als lentekuur gebruikt omwille van de algemeen tonifiërende, diuretische en licht laxerende eigenschappen, ook als bloedzuiverend middel en in afslankingskuren.
Populair zijn de sla-kuren met verse jonge blaadjes. De plant kan op dezelfde manier gebleekt worden als andijvie (en heet dan molsla). De jonge blaadjes kunnen ook gekookt worden als spinazie, alleen of vermengd met spinazie of in de soep.

Taraxacumpreparaten hebben een stevige medische traditie opgebouwd in veel Europese landen, vooral bij verteringsstoornissen, met klachten als een opgezette buik, winderigheid en een trage vertering, bij gebrek aan eetlust en ook bij lichte urinewegklachten, om de diurese te verhogen.
Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’* dat er voldoende evidence is voor al deze traditionele toepassingen.
De diuretische activiteit van Taraxacum wordt toegeschreven aan het hoge kaliumgehalte en aan bepaalde flavonoïden. Dat de plant water in beweging kan brengen komt in haar Franse naam ‘Pissenlit’, en Vlaamse volksnaam ‘Pissebloem’ onmiskenbaar tot uiting.
Bittere bestanddelen (sesquiterpenoïden) worden verantwoordelijk geacht voor het stimuleren van de verteringssappen en van de galstroom.

De toepassingen in de antroposofische geneeskunde liggen in dezelfde lijn. Taraxacumpreparaten worden in het algemeen ingezet om de opbouwende, regenererende processen vanuit de stofwisseling te bevorderen. Het centrale orgaan hierin is de lever, die de gehele opbouwende stofwisseling vanuit de voedselstroom overziet en coördineert.

www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2011/03/WC500102972.pdf
12 nov. 2009 - Assessment report on Taraxacum officinale Weber ex. Wigg., radix cum herba.