print

Aurum/Hyoscyamus comp

Het preparaat Aurum/Hyoscyamus comp. bevat drie bestanddelen in gelijke delen gemengd: Aurum metallicum praeparatum D10, Hyoscyamus niger (planta tota) D5 en Stibium metallicum praeparatum D6.

Het middel wordt in de antroposofische geneeskunde voornamelijk ingezet om de ritmische processen (vooral van hart en bloedsomloop) te versterken of te harmoniseren. De voornaamste toepassingsgebieden zijn functionele hartklachten, ook met ritmestoornissen (extrasystolen), inslaapproblemen, nachtmerries, hyperactiviteit, bioritmeverstoringen,  psychovegetatieve stoornissen. En ook wanneer het hart abnormaal sterk wordt waargenomen (pijn, hartjagen), wat leidt tot angst en paniek.


Een beschrijving van de componenten:

Goud is een metaal met een zeer hoge dichtheid (bijna dubbel zo zwaar als lood) en tegelijkertijd is het zacht en plastisch. Het kan platgewalst worden tot een folie, dunner dan één tienduizendste millimeter (bladgoud) of van één gram goud kan een draad getrokken worden van wel 2 km lang.
Dit meesterlijk kunnen uitbreiden én samenballen wordt door het alchemistisch teken voor goud (en voor de zon) treffend weergegeven: een cirkel met een punt in het midden.

Een gelijkaardig proces vindt in het hart plaats; in de ritmische opeenvolging van diastole en systole, ervaart het bloed afwisselend compactste volume (circa 80 ml als het bloed het hart bereikt) en grootste uitbreiding (1000 m2 als het door het capillair-bed van het gehele lichaam stroomt).

Zowel op fysiologisch als op psychisch vlak wordt aan het hart een bemiddelende en evenwicht brengende functie toegeschreven. Dit wordt in de antroposofische geneeskunde aangeduid als goudproces-werking. Is die verstoord dan wordt gepotentieerd goud als geneesmiddel ingezet om het proces te versterken of te harmoniseren.

In Aurum/Hyoscyamus comp. wordt Aurum als goudspiegel (Aurum metallicum praeparatum) verwerkt, die wordt bereid door het metaal onder sterke verhitting tot verdampen te brengen en het vervolgens te laten neerslaan als een flinterdunne, licht doorlatende spiegel.
Met dit proces wordt beoogd het metaal een soort ‘reinigings- en verjongingskuur’ te laten ondergaan om het actiever en dynamischer te maken.

Hyoscyamus niger, bilzekruid, is een wat duistere plant, behorend tot de nachtschadefamilie, en zeer giftig zoals vele van deze plantenfamilie.
Om tot een weelderige plant te komen is de warmte van de hoogzomer nodig.
De bloemen zijn vuil-geel van kleur met donkerpaarse netvormige tekening en bijna zwarte keel.
Verborgen in de harde vijfpuntige kelken ontwikkelen zich de doosvruchtjes. Ze openen met een dekseltje.
De gehele plant verspreidt een onaangename, dierlijk aandoende geur.

Bilzekruid vertoont een duidelijk gelede opbouw en sterke ordening. Blad- en bloemgebied zijn nauw met elkaar verweven. Vegetatieve groei en vervroegde bloei schuiven zich gedurig ritmisch in elkaar, waarbij de bloemvorming telkens door de bladgroei overstegen wordt.
   
Wat zich in deze ‘abnormale’ groeidynamiek uitdrukt, vindt in de vorming van gifstoffen zijn substantiële neerslag. Het vergiftigingsbeeld van Hyoscyamus maakt de relatie van de plant met verstoorde processen in het menselijk organisme duidelijk. Inname van toxische doses leidt tot verstoorde zintuig- en bewustzijnsprocessen, hallucinaties, krampen in het maag-darmkanaal en ademhalingswegen, opwindingstoestanden, motorische stoornissen.
Een kleine dosis vertraagt een te snelle pols en verlaagt een te hoge bloeddruk.

In homeopathische verdunning wordt Hyoscyamus toegediend ter versterking en stimulering van het organisme om, door het overwinnen van het gifproces van de plant (het oproepen van een 'tegenreactie'), het eigen verstoorde proces aan te pakken. Met name in die gevallen waarbij lichaamsprocessen, die normaal onbewust of halfbewust verlopen (zoals de spijsvertering en de hartslag), abnormaal sterk worden waargenomen, met pijn, krampen en angst tot gevolg.

Stibium (Sb), meestal ‘antimoon’ genoemd, is een uiterst raadselachtige substantie. In velerlei opzichten lijkt het een metaal, bijvoorbeeld door zijn zilverwitte glans, zijn dichtheid en het gemak waarmee hij legeringen maakt met bijna alle metalen. Het mineraal Dyskrasiet bijvoorbeeld is een natuurlijke legering van antimoon en zilver. Door gelijke delen gesmolten antimoon en koper te mengen krijgt men een verrassend amethist-kleurige legering: Cupro-Stibium (de ‘regulus veneris’, van de alchemisten).

Anderzijds is antimoon dan weer niet soepel en plastisch bewerkbaar, zoals de meeste metalen wel zijn, maar in tegendeel hard en breekbaar en zo bros, dat het zelfs in een mortier tot poeder gebracht kan worden. Bovendien is het een slechte geleider van warmte en elektrische stroom. Ook tot het magnetisch veld verhoudt antimoon zich afwijzend. Tussen de polen van een magneet gebracht, zet het zich niet in de richting van het magnetisch veld, zoals ijzer, maar stelt er zich loodrecht tegen op (wordt dus afgestoten) (diamagnetisme).

Ook bij elektrolyse gedraagt de substantie zich opvallend. Wanneer hij door de elektrische stroom met geweld uit zijn oplossing in de metaalvorm wordt gedwongen, ontstaat een zwarte poederachtige modificatie, die bij krassen of verhitten explodeert met veel warmte, licht en geluid (‘donder en bliksem’), waarbij hij in de normale modificatie overgaat.
Er bestaat ook een instabiele zwavelgele modificatie, die lichter is en nauwelijks nog metalig aandoet.

Laat men gesmolten antimoon afkoelen, dan wordt een nieuw bijzonder fenomeen zichtbaar.
Het is een algemeen gegeven dat stoffen, wanneer ze kouder worden, krimpen en in soortelijk gewicht toenemen en dat ze bij opwarmen uitzetten en lichter worden. Een vreemde uitzondering hierop vormt water: bij afkoeling, gaat het, in de buurt van het stollingspunt (vanaf vier graden Celsius), juist uitzetten en lichter worden (ijs drijft op water). Antimoon blijkt nu hetzelfde afwijkende gedrag als water te vertonen. Bij lettergieten maakt men hier dankbaar gebruik van. Gesmolten antimoon-lood/tin-legeringen (lettermetaal) kunnen de fijnste details van de vorm opvullen, doordat ze bij stollen iets gaan uitzetten. Een bijkomend voordeel is dat de toevoeging van antimoon de hardheid van de metalen verhoogt.

Gedegen (dus puur) antimoon komt in de natuur maar zelden voor.
Antimoon-ertsen zijn verspreid over de hele aarde te vinden, maar het meeste en zuiverste antimoonerts, overwegend Antimoniet, vindt men in Oost-Azië, vooral China.
Noord- en Zuid-Amerika komen op de tweede plaats (in het bijzonder Mexico en Bolivia) en Europa (hoofdzakelijk Frankrijk, Hongarije en Oostenrijk) volgt op de derde plaats.

Antimoon toont zich, chemisch gezien, overwegend driewaardig - zo is Antimoniet een natuurlijk antimoon-trisulfide (drie zwavelatomen) -, maar kan ook vijfwaardig zijn. Door een trisulfide met zwavel te verhitten krijgt men een pentasulfide (vijf zwavelatomen): Stibium sulfuratum aurantiacum of goudzwavel. Het metaalkarakter van antimoon is hierbij volledig door zwavel overstemd.
Stibium wordt ook wel ‘metaal-geworden-zwavel’ genoemd, wegens zijn ‘zwavelig’ karakter en sterke binding met zwavel. Hij smelt en verdampt gemakkelijk, en is zelfs licht ontvlambaar.
De witte oxiderook, die bij verbranden optreedt, slaat als rijp- of ijsbloemen neer op koelere oppervlakken.

Een echt kristalliseerbaar zout krijgt men met antimoon alleen door een complexzout te vormen met een organisch zuur, namelijk met wijnsteenzuur. Dit zout is antimoon-kalium-tartraat, het Tartarus stibiatus van de alchemisten, dat lange tijd als braak- en purgeermiddel werd aangewend, vandaar ook de naam braakwijnsteen.

Al zeer lang is Stibium in gebruik bij de mens, vooral in de vorm van Antimoniet. In het oude Egypte bijvoorbeeld werd het als cultisch cosmeticum voor de wenkbrauwen gebruikt. Maar ook de drogende, bloedstelpende en bederfwerende werking was bekend.
In de Middeleeuwen werd antimoon – naast kwikzilver – hét metaal van artsen en alchemisten.
Basilius Valentinus, een Duitse alchemist uit de vijftiende eeuw, looft in zijn ‘triomfwagen van antimoon’ de vele toepassingsgebieden (‘universeel geneesmiddel’), maar benadrukt ook, dat het op een gepaste manier moet omgezet worden, opdat uit het gif een geneesmiddel kan ontstaan (het vergiftigingsbeeld lijkt op dat van arseen).
Deze diepere substantiekennis ging echter stilaan verloren en men begon Stibiumpreparaten blindelings en in veel te hoge dosering toe te dienen. Dit leidde tot zoveel vergiftigingen, dat op een bepaald moment artsen verplicht werden om onder ede te verklaren, geen therapie met antimoon meer te zullen toepassen.

In de antroposofische geneeskunde is Stibium een van de belangrijkste geneesmiddelsubstanties geworden, en dit met name omwille van de ‘vormende’ en ‘structurerende’ werking, die men de substantie toedicht. Die eigenschap wordt onder meer afgelezen aan de typische uitstralende tendens, waarin hij zijn kristallen kan vormen. Bij Antimoniet, het belangrijkste antimoonerts, is dit het duidelijkst waarneembaar: de langwerpige, naald- tot staafvormige kristalbundels lijken vanuit een bepaald middelpunt in de verre periferie te wijzen, als fysiek geworden krachtlijnen. De antroposofie ziet er een verwijzing in naar de kosmische ‘groei- en vormkrachten’, zoals die zich ook manifesteren, wanneer een plant vanuit het zaadje, tegen de zwaartekracht in, naar omhoog streeft, weg van de aarde.
Voor orale toediening en injecties worden uitsluitend homeopathische verdunningen vanaf D6 gebruikt. Niet zozeer de antimoon-‘substantie’ zelf komt voor de werking in aanmerking, maar het ‘proces’, dat geleid heeft tot de vorming van de substantie.
Stibiumpreparaten voor uitwendige toepassing en zetpillen bevatten maximaal 0,4% antimoon.
 
In de meeste gevallen wordt het natuurlijke mineraal Antimoniet verwerkt, of de antimoonspiegel, Stibium metallicum praeparatum. Dit laatste wordt bereid door het mineraal, in vacuüm, onder sterke verhitting tot verdampen te brengen en vervolgens te laten neerslaan (op een glasoppervlak) als een flinterdunne, licht doorlatende spiegel.
Met dit proces wordt beoogd de substantie een soort zuiveringsstap te laten ondergaan, om deze actiever en dynamischer te maken.

Door zijn sterke verwantschap met zwavel wordt Stibium in de antroposofische geneeskunde een grote affiniteit tot eiwitsubstanties (die immers zwavelrijk zijn) toegeschreven, en tot de stofwisselingsprocessen in het algemeen.
Zo worden antimoon-preparaten ingezet, in gepaste dosering en vorm, bij allerlei ziektetoestanden waar het menselijk organisme niet in staat is om opgenomen (dus lichaamsvreemde) eiwitsubstanties zodanig om te zetten, dat ze probleemloos in de eigen biochemie kunnen ingelijfd worden, waardoor er diarree of andere verteringsproblemen optreden.

Stibiumpreparaten worden ook aangewend ter ondersteuning van de bloedfunctie in het reguleren van de balans tussen oplossen en stollen, opdat het bloed niet ‘te dun’ en niet ‘te dik’ wordt.
Overal waar weefsel tot oplossing of deformatie neigt, wordt Stibium ingezet om de structuur en vorm te helpen herstellen, zoals bij eczeem (overmaat aan eiwitprocessen op een ‘verkeerde’ plek), maar ook bij spataderen en hemorroïden, waar de vaatwanden te slap en verwijd zijn.
Ook psychosen, waar sprake is van een desintegratie van de persoonlijkheid en een ernstige stoornis in de relatie met de realiteit, worden in de antroposofische geneeskunde vaak (aanvullend) behandeld met Stibium, vooral als injectie, maar ook uitwendig als Stibiumolie.
Zeer uiteenlopende kwalen dus. Stibium wordt dan ook beschouwd als een oergeneesmiddel.