print

Carum carvi. comp.

Het karwij-kamille-preparaat Carum carvi comp. (zetpillen) wordt voornamelijk ingezet ter verlichting van buikkrampen. Het is een veilig geneesmiddel, dat zelfs in de eerste levensmaanden gebruikt mag worden.
Een zetpil (ca. 1 g) bevat: Carum carvi, fructus (sicc.), decoctum Ø (1:3) 300 mg/Chamomilla, planta tota Ø (1=3) 30 mg.

De zetpilbasis is cacaoboter. De vloeibare actieve bestanddelen worden eerst ingedroogd aan cellulosepoeder en vervolgens aan de gesmolten zetpilmassa toegevoegd. Een overzicht van de componenten: 

Carum carvi
Carum carvi (karwij of wilde kummel) is een tweejarige plant uit de familie der schermbloemigen. De naam ‘karwij’ stamt van het Arabische ‘karawiya’ dat ‘aromatische plant’ betekent. De zaden worden op grote schaal gebruikt om te kruiden; Nederland was lange tijd de grootste producent.
De smaak van karwijzaad is bitter en zoet en lijkt wat op die van anijs, maar met een scherpe ondertoon.
De plant is vooral in graslanden en wegbermen te vinden. Op een wat vochtige bodem, die voldoende licht en zomerwarmte ontvangt, komt karwij volledig tot gedijen.
In het eerste jaar wordt een vlezige penwortel gevormd en een onopvallend bladrozet. Na deze ‘inademingsfase’, volgt het tweede jaar een krachtige ‘uitademing’, waarbij een tot 1 meter hoge stengel omhoogschiet, die zich naar boven toe veelvuldig vertakt. De grasgroene bladeren verschijnen veervormig ingesneden, hoe hoger aan de stengel, hoe verfijnder. In mei-juni kroont de plant zich met een overvloed aan witte (hier en daar wat rozige) bloempjes, geschikt in schermen met ongelijke stralen.

Het rijkelijk opgezogen vocht maakt het tere groene blad sappig (dat maakt het ook een goede voederplant) en vult de bloemen overvloedig met nectar (goede bijenplant). Karwij neemt de warmte van de zon krachtig naar binnen. Eind juli al zijn de bruine splitvruchtjes rijp en sterft de plant af.

Het ‘zaad’, botanisch gezien een tweedelige splitvrucht, bevat vooral vetten en harsen, eiwitten, suikers, looistoffen en zeer veel etherische olie (met hoofdzakelijk carvone en limoneen).
De analyse van de as toont bovendien een hoog gehalte aan kiezelzuur, ijzer- en magnesiumoxide aan. Dit doet een sterke relatie met licht vermoeden, want ijzer en magnesium zijn allebei onmisbaar voor de vorming van chlorofyl, de licht-verwerkende groene bladkleurstof, en ook kiezelzuur (siliciumdioxide) is, volgens de antroposofische visie, een echte licht-substantie. De zuiverste kristalvorm van kiezelzuur, het bergkristal, is volledig doorlaatbaar voor licht (zelfs voor UV-licht). Ook het gebruik van silicium in zonnepanelen wijst in die richting.

Het sterke licht- en warmte-karakter in bloei- en vruchtproces verleent karwij de verwarmende, maag en darm versterkende, de vertering stimulerende en de melkafscheiding bevorderende werking. Vanuit antroposofisch gezichtspunt spreekt Carum carvi vooral de bewuste en onbewuste waarnemingsprocessen in de verteringsorganen aan, waardoor het ‘lichaamsvreemde’ van voedingssubstanties gemakkelijker overwonnen kan worden (vertering).

Een afkooksel van karwijvrucht-met-zaad (Carum carvi, fructus, decoctum) wordt gebruikt als krampstillend en de doorbloeding bevorderend middel, dat de darmbeweging en de vloeistofcirculatie in de darmwand stimuleert, zodat een teveel aan lucht kan worden opgenomen en gassen sneller kunnen ontwijken. Het preparaat wordt door antroposofische artsen vooral toegepast bij winderigheid, opgezette buik, luchtslikken, opgeblazen gevoel na de maaltijd, maag- en darmkrampen, spasmen van de galwegen en bij te weinig melkvorming. Ook voor het behandelen van winderigheid en verteringsproblemen bij zuigelingen wordt karwij veelvuldig ingezet. 

Chamomilla
Matricaria chamomilla, de echte kamille, behoort tot de Composietenfamilie. De bloem is samengesteld uit een krans van witte lintbloempjes en een hart van gele buisbloempjes. Met haar draadfijne, goudgroene blaadjes en overvloed aan witgele bloemen is het één en al luchtigheid en geurigheid. Het tere groene kamilleblad blijkt van dichtbij verrassend dik en opgeblazen, wat wijst op een tendens tot vocht-vasthouden. Deze neiging tot ‘waterigheid’ wordt echter overruled door sterke ‘doorluchtings- en aromatiseringsprocessen’, onder meer zichtbaar in het ‘vederachtige’ van de blaadjes, de ‘luchtdruppel’ in de holle bloembodem (kenmerk van de échte kamille) en de krachtige bloemengeur. Toch blijft die vurigheid wat getemperd, de etherische olie uit kamillebloemen gedestilleerd heeft een verrassend ‘koele’ kleur: blauw. Ze blijkt ontstekingsremmend te werken.
Het beeld dat hoort bij de plant is ‘beheerste ontsteking’, getemperde, in bedwang gehouden vurigheid.

Chamomilla wordt in de antroposofische geneeskunde omwille van haar sterke doorluchtings- en warmte-eigenschappen ingezet bij allerlei overmatige bewustzijnsprocessen (in de vorm van verkrampingen, pijn), onder meer bij buikkrampen (met winderigheid), menstruatiepijn, zenuwpijnen (zoals bij het doorkomen van tandjes) en de opwindingstoestanden en onrust die hieraan gerelateerd zijn. Dezelfde indicatiegebieden voor Chamomilla gelden in de homeopathie.

Woordenboek


Deel deze nieuwsbrief met een medische collega