print

De kracht van Echinacea

In het nieuwe Weleda zelfzorgmiddel  Bio Echinacea Druppels zijn de twee belangrijkste medicinale Echinacea-soorten verwerkt: E. angustifolia en E. purpurea, telkens de gehele verse, bloeiende plant. Deze keuze kwam tot stand door het verbinden van natuurwetenschappelijke kennis met de resultaten van een diepgaande studie van de ‘Echinacea-plant’ in al zijn fenomenen.

De naam Echinacea komt van het Griekse woord ‘echinos’ dat egel betekent; het verwijst naar de stekelige bolvorm, die gevormd wordt door de spits opstaande kafblaadjes in het bloemhart en de conisch omhoog welvende bloembodem. De Nederlandse benaming ‘zonnehoed’ spreekt voor zich, kijkende naar de krans van teruggeslagen lintbloempjes.

Echinacea-soorten

Het geslacht Echinacea behoort tot de familie van de Composieten (Asteraceae). Echinacea komt in het wild alleen in Noord-Amerika voor, in een gebied dat zich uitstrekt van Zuid-Carolina in het Oosten, tot aan de voet van de Rocky Mountains in het Westen, en van Canada tot aan Texas.

Van de negen Echinacea-soorten zijn er drie die voor medicinaal gebruik worden gekweekt: E. purpurea, E. angustifolia en E. pallida. De soortnaam purpurea verwijst naar de rood-paarse kleur van de bloemen, angusti-folia naar de smalle blad-vorm; pallida (=bleek) naar de lichte kleur van de bloemen.

De meeste Echinacea-soorten, waaronder Echinacea angustifolia en E. pallida, zijn te vinden in de prairies van de Midwest, in de staten Tennessee, Kansas, Oklahoma en Missouri.

De prairiebodem varieert van voedselrijk tot zanderig, schraal en droog. De planten staan er onbeschermd, overgeleverd aan zon en wind. Het kan er zeer heet, maar ook zeer koud worden. Prairieplanten kenmerken zich dan ook door een vaak gedrongen gestalte met korte stelen en smalle, spitse, weinig sappige bladeren. Voor het geslacht Echinacea is dit bij E.angustifolia, de soort met de geringste hoogte, het meest uitgesproken.

Deze plant ziet er in verhouding schraal en gedrongen uit, zich duidelijk terughoudend in zijn uiterlijke ontplooiing. Naar binnen toe concentreert hij intense geur- en smaakstoffen. Sterk zoetig aromatisch is de geur van de bloem. De wortel is het plantendeel met de sterkste smaak: eerst zurig, dan scherp. Het proeven veroorzaakt een verhoogde speekselvloed en een lokale verdoving van de tong, gevolgd door een ontspannend en verfrissend effect. Hoe feller het licht, hoe droger en schraler de groeiplek, des te krachtiger zijn geur en smaak van E. angustifolia.

Tussen E. angustifolia en E. pallida werd lange tijd geen onderscheid gemaakt, ze worden vaak verwisseld en tot op heden is er geen duidelijke therapeutische differentiëring.

E. pallida is niet zo compact en vast als E. angustifolia, wordt veel hoger, en gaat met haar grotere bladeren en langere stelen meer naar de karakteristieken van E. purpurea toe. De plant zoekt in de prairie bij voorkeur de minder extreme omstandigheden op, zoals de noordelijk gerichte zijde van een heuvel of de nabijheid van bomen.

Echinacea purpurea

Echinacea purpurea is een buitenbeentje in het plantengeslacht; deze soort is inheems in de loofbos-gebieden van Noord-Amerika, meer naar het Oosten toe. In tegenstelling tot de prairie is het klimaat daar gematigd, met geringere temperatuurschommelingen tussen dag en nacht, respectievelijk zomer en winter. Echinacea purpurea zoekt er de open plekken of de bosranden op. De omgevende vegetatie is sappig groen en weelderig, maar weinig bloemrijk. In vergelijking met de Echinacea’s van de prairie, heeft E. purpurea een beduidend grotere bladmassa en wekere blad- en stengelstructuur, in dat opzicht is het een echte schaduwplant. Echter, zij slaagt er in deze omgeving wél in om een krachtige en kleur-intensieve bloei te ontwikkelen. De vorm van haar bladeren varieert mooi, van breed hartvormig en gezaagd onder aan de plant tot smal, bijna lancetvormig, bovenaan. Deze Echinacea-soort leeft zich dus wel volop uit in haar uiterlijke vormen. Tot een concentreren van sterke geur- en smaaksubstanties (zoals bij E. angustifolia) komt het dan weer veel minder.

Geschiedenis

Echinacea is van oorsprong een geneesplant van de indianen uit Noord-Amerika, die de plant breed toepasten, zowel uit- als inwendig, onder meer bij wonden, verbrandingen, insectenbeten, tand- en keelontstekingen en bij pijn, hoest, verkoudheid, en als antidotum bij slangenbeten. Ze gebruikten de soorten die in hun gebied voorhanden waren, vooral E. angustifolia en E. pallida, waarbij de eerste de voorkeur genoot. Bij de blanke bevolking van Noord-Amerika ontstond pas echte interesse voor de plant aan het eind van de 17e eeuw; vooral E. angustifolia genoot een steeds grotere populariteit. Bij de opkomst van de antibiotica, rond 1930, viel Echinacea echter weer uit de gratie. In Europa kwam de belangstelling toen pas op gang. Echinacea angustifolia werd in 1924 opgenomen in het HAB (Homöopathisches Arzneibuch) met een oertinctuur, bereid uit de verse bloeiende plant met wortel. Door de toenemende vraag ging men de plant telen. Een zending met ‘Echinacea angustifolia’-zaden bleek in werkelijkheid van E. purpurea te zijn. Buiten de verwachting bewees ook deze soort zich goed in de therapie. Omdat hij bovendien gemakkelijkte telen was, werd de purpurea al snel de meest gebruikte en ook de meest onderzochte Echinacea-soort.

 

Toepassing

Alles aan een Echinacea-plant straalt ‘kracht’ uit: de stevig rechtop staande stengel, de naar verhouding grote bloem torsend, de rood-paarse kleur van de lintbloemen, het oranjerode bloemhart met de stekelige, harde schubben. Ook haar vermogen om volle zon, droogte, arme bodem en stevige vrieskou te doorstaan of om in de schaduw een intense bloei te ontplooien, wijst op ‘kracht’.

Echinacea wordt zowel in de fytotherapie, de homeopathie als de antroposofische geneeskunde gebruikt als weerstand verhogend en infectie bestrijdend middel. In het algemeen wordt geen onderscheid gemaakt tussen Echinacea purpurea, angustifolia en pallida wat het toepassingsgebied betreft, wel in de verwerkte plantendelen, maar hierover lopen de meningen uiteen.

In de antroposofische geneeskunde is E. angustifolia de meest gebruikte soort, hoofdzakelijk als gehele bloeiende plant. Het is de soort met de sterkste smaak- en geurbeleving. De smaak van de wortel wordt als ‘vitaliserend’ en versterkend ervaren. De volle, fruitig-zoete geur van de bovengrondse delen spreekt het ‘levensgevoel’ aan. Door de gehele bloeiende plant te gebruiken laat men beide werkingsrichtingen samenkomen.

Echinacea angustifolia is vanuit antroposofisch gezichtspunt vooral aangewezen wanneer ‘afweerzwakte’ en het aspect ‘pijn’ op de voorgrond staan. Het constitutiebeeld van E. purpurea verwijst meer naar toepassingsgebieden waarbij het aspect ‘ontsteking’ overheersend is. Door in Bio Echinacea Druppels beide Echinacea-soorten samen te voegen, wordt beoogd de verschillende kwaliteiten elkaar te laten aanvullen en te versterken.

 

Onderzoek

Er zijn heel wat studies, trials én reviews verschenen over de immunologische effecten van Echinacea en de effectiviteit ervan bij infecties van de bovenste luchtwegen. Zo concludeerde een meta-analyse, gepubliceerd in The Lancet Infectious Diseases (2007), dat Echinacea werkt bij verkoudheid, zowel als preventie als voor verkorting van de ziekteperiode. Lees verder

Een studie in 2012, uitgevoerd door onderzoekers van het Common Cold Centre in de Cardiff University, en gepubliceerd in Evidence-Based Complementary and Alternative Medicine, bevestigde die mogelijke rol van Echinacea in de preventie of behandeling van verkoudheid. Lees verder

Dat er in studies soms geen of nauwelijks werkzaamheid vastgesteld wordt, zou verklaard kunnen worden door het feit dat de gebruikte Echinacea-bereidingen onderling sterk kunnen verschillen in soorten, plantendelen en bereidingswijzen.

 

Referenties

De European Medicines Agency (EMA) beoordeelde de ‘body of evidence’ en beschouwt, voor de ingediende Echinacea-preparaten, als voldoende onderbouwd, de toepassingsgebieden: ‘voor de korte-termijn preventie en behandeling van verkoudheid’ (well established use)voor de bereidingen uit de verse bovengrondse delen (herba) in bloei van E. purpurea, en ‘als ondersteunende behandeling van verkoudheid’ (traditional use)voor de bereidingen uit de wortel (radix) van E. angustifolia én purpurea.

In een ESCOP (European Scientific Cooperative on Phytotherapy) monografie wordt het inwendig gebruik van E. purpurea (herba én radix) gedefinieerd als: ‘aanvullende therapie en voorbehoedend bij terugkerende infecties van de bovenste luchtwegen (verkoudheid).

In een Kommission D-monografie van de BfArM (Bundesinstitut für Arzneimittel und Medizinprodukte) wordt de inwendige toepassing van E. angustifolia én van E. purpurea (verse bloeiende plant met wortel) omschreven als: ‘ondersteunende behandeling van ernstige, met koorts gepaard gaande infecties’.

Hoewel Echinacea in het algemeen beschouwd kan worden als een veilig kruid, wordt in deze publicaties aangegeven dat voorzichtigheid geboden is wanneer de immuniteit onderdrukt of aangetast is (bijvoorbeeld bij transplantaties, auto-immuunziekten), evenals bij personen met een atopische constitutie of een allergie voor (andere) composieten. Bij gebrek aan voldoende gegevens is het gebruik tijdens zwangerschap en borstvoeding en bij kinderen onder 12 jaar niet aan te raden.

Inhoudstoffen

De zoektocht naar de ‘active substances’ en het werkingsprincipe van Echinacea is al een eind gevorderd, maar nog lang niet voltooid. De substantiegroepen die tot nu toe als de belangrijkste worden beschouwd voor de werking, zijn: koffiezuurderivaten, alkylamide- en polyacetyleenverbindingen, polysachariden, flavonoïden en etherische oliën. Alle stofgroepen zijn terug te vinden in de verschillende Echinacea-soorten, maar het aantal substanties, de hoeveelheden, de verhoudingen en de chemische structuur ervan kunnen onderling sterk verschillen. Zo werd echinacoside, een koffiezuurderivaat met antibiotische werking, gevonden in de wortels van E. angustifolia, maar niet in die van E. purpurea. In de bovengrondse delen van E. purpurea werden 2 immuniteit stimulerende polysachariden geïsoleerd. In de wortel van E. angustifolia werd een alkylamide ontdekt, dat verantwoordelijk is voor de verhoogde speekselvloed en het lokaal verdovend effect op de tong.

Het is duidelijk geworden dat geen hoofdwerkstof gedeclareerd kan worden, dat Echinacea een complexe samenstelling aan stoffen bevat, die elkaar aanvullen en versterken en dat er in dit opzicht ook geen eenduidige uitspraken kunnen gedaan worden over de verschillende Echinacea-soorten.

 

Bio Echinacea Druppels

Door in Bio EchinaceaDruppelsde 2 belangrijkste Echinacea-soorten te verwerken en telkens de volledige bloeiende plant te nemen, biedt Weleda een ‘totaal-pakket-Echinacea’ aan, met de aannemelijke claim: ‘versterkt de natuurlijke weerstand’. In een tijd waarin verschillende bacteriën resistentie ontwikkelen tegen antibiotica, verdient de Echinacea-plant opnieuw alle belangstelling.

Woordenboek


Deel deze Nieuwsbrief