print

Formica-preparaten

De mier is een overlever, die zich perfect aanpast aan zijn leefomgeving, al zo’n 100 miljoen jaar lang (volgens oudste gevonden fossiel, in barnsteen). Het is één van de meest succesvolle diersoorten. Op aarde zijn er meer mieren dan alle vogels en zoogdieren samen (geschat op 10 biljard).

Evenals de bijen en wespen, behoort de mierenfamilie (Formicidae) tot de orde van de vliesvleugeligen (Hymenoptera). Twee paar doorschijnende, vliezige vleugels is het bepalend kenmerk.

Bij de mieren dragen alleen de maagdelijke koninginnen en de mannetjes vleugels. Ze dienen alleen voor de ‘bruidsvlucht’. Mieren leven veelal ondergronds, waar vleugels alleen maar hinderlijk zouden zijn. 

Een mierenlijf bestaat uit drie segmenten: kop, borststuk en achterlijf. Tussen midden- en achterlijf zit er een soort ‘steel’, waardoor een ´wespentaille´ ontstaat.  

Boven op de kop zitten twee lange en dunne beweeglijke voelsprieten met een knik (antennen).

Termieten worden vaak ten onrechte met mieren verward. Ze zijn er echter niet mee verwant, maar evolutionair ontstaan uit de kakkerlakkenfamilie. Er zijn ook duidelijke fysieke verschillen: termieten hebben bijvoorbeeld rechte voelsprieten, een brede taille, en gelijke vleugelparen. 

De meeste mierensoorten hebben opvallende facetogen, samengesteld uit soms wel 400 aparte ‘oogjes’ (ook gevoelig voor het UV-gebied van het lichtspectrum). Op het voorhoofd zitten vaak nog drie enkelvoudige ogen (ocelli) (vooral bij de koninginnen). Hiermee kunnen ze licht en donker onderscheiden en waarschijnlijk vormen ze ook een hulp bij het oriënteren.

Mieren hebben opvallende, in twee gedeelde kaken (mandibulae), al dan niet getand. De bovenkaken vormen een grijpwerktuig, om voedsel op te nemen, ter verdediging en aanval en om van alles te transporteren.

Grote (tropische) mieren met stevige kaken worden zelfs ingezet om wonden te sluiten. Na het samendrukken van de wond, laat men de mier bijten, waarna het lijf boven de kop afgebroken wordt. De kop blijft dan zitten als een perfecte, stevige wondkram.

 

Onder de kaken bevinden zich twee paar tasters (palpi).

Aan het borststuk zitten drie paar poten vast. Ze eindigen in twee klauwtjes, waartussen een ‘hechtlapje’. Hierdoor heeft de mier een perfecte grip op alle ondergronden, en kan zelfs langs gladde glasplaten omhoog lopen.

De voorpoten dragen tevens een ‘spoorkam’, om de voelsprieten schoon te maken.

De meeste miersoorten zijn zwart of (rood)bruin van kleur, maar er bestaan ook gele, oranjerode, groene, zilvergrijze en goudkleurige soorten.

De mier begint als ei. Miereneieren zijn niervormig en piepklein. Omdat ze een glad en kleverig oppervlak hebben, hechten ze gemakkelijk aan elkaar en kunnen, indien nodig, met veel tegelijk vervoerd worden.

Vooraleer een mier volwassen is, moet ze een volledige metamorfose over larve- en pop-stadium doorlopen hebben.

Een bevrucht ei levert steeds een vrouwtje (diploïd) op, een onbevrucht ei een mannetje (haploïd).

Na één tot twee weken komt een larve tevoorschijn, een piepkleine made, zonder poten. Ze kan alleen kleine bewegingen uitvoeren, zoals de ‘kop’ richten naar aangereikt voedsel. De larven worden gevoed door volwassen werksters, met sappen, uitgebraakt voedsel of vaste voedseldeeltjes (zoals delen van insecten). Tijdens hun groei vervellen ze meestal drie keer.

Na een kleine vier weken als larve volgt het pop-stadium. De poppen lijken op witte wasachtige mieren met de poten en voelsprieten tegen het lijf aan opgevouwen. Ze hangen niet vast, zoals vlinders in dat stadium, maar kunnen getransporteerd worden.

Bij sommige soorten, zoals bij de gewone zwarte wegmier, verloopt het iets anders, en spinnen de larven uiteindelijk een cocon om zich heen, waarin dan de metamorfose tot volwassen mier plaatsvindt. De larve werpt de inhoud van haar darmkanaal uit, die als een zwarte stip verschijnt aan één eind van de cocon.

 

Na weer twee tot vier weken verschijnt de volwassen mier. Pasgeboren is ze nog zeer bleek, met een zacht, nog onverhard exoskelet.

Alle mierensoorten leven in een kolonie, die als staat functioneert, soms een paar honderd mieren samen, soms duizenden, soms miljoenen.

 bosmierennest

Een mierennest is een echt meesterwerk, met vele gangen en talloze kamers en ruimtes, onder meer voor het bewaren van eieren en poppen, voor het verzorgen van larven en koningin(nen), voor voedselvoorraden, als schuilplek, voor afval en met grafkamers aan de buitenste randen.

Overdag zijn de toegangen open, streng bewaakt, ‘s nachts en bij guur weer worden ze afgesloten. De mieren overwinteren in verstarde toestand, teruggetrokken in de gangen.

De eieren, larven en poppen of cocons hebben een min of meer constante temperatuur nodig voor een goede ontwikkeling en worden vaak verplaatst over de vele broedkamers binnen het nest.

Wordt het te warm binnenin het nest, dan worden nieuwe uitgangen gegraven ter afkoeling. 

Wordt het te koud in het nest, dan trachten ze de warmte van de zon naar binnen te brengen.

Iedere miersoort heeft zijn eigen bouwstijl en voorkeursplek, maar de indeling van het nest is grotendeels gelijk.

Binnen de eigen kolonie vinden doorgaans geen gevechten plaats, maar andere volken worden hevig bestreden (soms in echte veldslagen).

In een mierenvolk leven drie groepen mieren, die er vaak heel verschillend uitzien: vruchtbare vrouwtjes (koninginnen), steriele vrouwtjes (werksters) en mannetjes.

De koninginnen zijn meestal veel groter dan de overige mieren, met een opvallend groter achterlijf (eierstokken). Hun hersenen daarentegen zijn minder uitgebouwd. 

Een koningin kan tot wel 25 jaar oud worden. In maagdelijke staat (gyne) draagt ze vleugels (voor de bruidsvlucht). Ze bekommert zich (na de paring) uitsluitend om het leggen van eieren. 

De werksters vervullen alle andere taken, inclusief het voeden en verzorgen van de koningin.

De mannetjes (‘drones’) (uit een onbevrucht ei) ontwikkelen zich uitsluitend voor de paring. 

Samen met de jonge gevleugelde koninginnen verlaten ze in grote zwermen het nest voor de ‘bruidsvlucht’, meestal ergens in de zomer, aan het eind van een warme dag.

De jonge koningin kiest een geschikte partner om te paren: het mannetje dat het hoogst en snelst kan vliegen. Na de bruidsvlucht, die meestal maar enkele uren duurt, sterven alle mannetjes.

De bevruchte vrouwtjes breken of bijten hun vleugels af en zoeken een geschikte plek om een kolonie te beginnen. Het sperma van de bruidsvlucht slaan ze op in hun achterlijf, in een ‘zaadkamertje’ met 'deurtje' (als deurtje open → eitjes bevrucht). De koningin heeft voldoende sperma voor de rest van haar leven (tot 25 jaar!). Ze legt zich op haar zij en werpt eieren, ononderbroken, van de lente tot de herfst, ondertussen gevoed door de werksters.

De term ´koningin´ is trouwens wat misleidend, ze 'regeert' niet echt, deelt geen taken uit.

Elke werkster-mier heeft haar eigen takenpakket en doorloopt een ‘loopbaan-traject’. Ze start veilig diep in het nest, met het verzorgen van koningin en broed. 

Vervolgens neemt ze taken op zich dichter bij het oppervlak, zoals gangen graven en andere werkzaamheden aan het nest. 

Tegen het eind van haar leven verlaat de werkster-mier de veiligheid van het nest voor meer risicovolle taken, zoals de verdediging van het nest, als verkenner, en het aandragen van voedsel. Buiten het nest vallen hoge aantallen doden en gewonden. Deze taakverdeling wordt aanzien als de meest economische: “mensen sturen hun jonge mannen ten oorlog, mieren hun oude dames”.

De werkster-mier bezit twee magen: één voor zichzelf en één ‘sociale maag’ of krop, om voedsel te bewaren en te delen met nestgenoten. Mieren die met zorgtaken in het nest blijven, geraken zo ook aan voedsel (uiterst efficiënt). De voedende mier braakt vloeibaar voedsel op uit haar krop en stort het in druppels direct in de bek van de andere mier (= trophallaxis).

Bij de meeste miersoorten eten volwassen mieren uitsluitend vloeibaar voedsel; larven kunnen wel vast voedsel verwerken, zoals stukjes insecten.

De meeste mieren zijn omnivoor, alleseters, maar met bepaalde voorkeuren.

Suiker is erg belangrijk, essentieel om actief te blijven. In de natuur is suiker te vinden als nectar en andere suikerrijke afscheidingen en sappen van planten, in fruit en tevens in afscheidingen van plantenetende dieren, zoals bladluizen, rupsen. Vooral bladluizen zuigen massaal plantensap op. Daarin zitten veel suikers, een beetje eiwit. Het teveel aan suiker, dat door de luis wordt uitgescheiden, vormt de ‘honingdauw’, de lievelingskost van de meeste mieren! 

Door met hun voelsprieten op het achterlijf van de bladluizen te trommelen, „melken“ ze de diertjes. Met man en macht beschermen ze ‘hun’ luizen tegen belagers als sluipwespen en lieveheersbeestjes.

Naast suiker hebben de meeste mieren ook proteïnen en vetten nodig, voornamelijk als larve. Ze jagen, roven, doden, vooral insecten, inclusief andere mieren en hun broed, en ruimen kadavers op, ook grote.

Verschillende miersoorten verzamelen zaden. Bij sommige planten zit er een speciaal eiwit- en vetrijk aanhangsel aan het zaad (‘mierenbroodje’), waar mieren dol op zijn, zoals bij het zaad van het maarts viooltje. 

Mieren hebben water nodig om te overleven. Ze drinken van druppels en kleine plasjes en geven het ook aan elkaar door. Ook hun voedsel (planten- en diersappen) is een belangrijke bron van vocht.

Een kolonie is een verzameling individuele mieren, maar ageert als één 'superorganisme', en lijkt op intelligente manier aangestuurd. Toch is er in een mierenstaat niemand zichtbaar aanwezig, die opdrachten verdeelt. Het gehele mierenvolk is veel slimmer dan een enkele mier. Dit door de wetenschap nog onbegrepen fenomeen kreeg de naam „zwermintelligentie“ (gelijksoortig fenomeen bij bijen). 

Een mierenkolonie bestaat soms uit verschillende miljoenen werksters, hoe kan alles zo goed georganiseerd verlopen?

Mieren kennen verschillende manieren om informatie uit te wisselen. Dit gebeurt hoofdzakelijk via lichaamsbewegingen en -contact, via geluiden, via voedsel-overdracht en vooral via geurstoffen (feromonen) (nog sterker ontwikkeld dan bij bijen of wespen).  

De voelsprieten zijn het voornaamste zintuig, ze zitten vol ‘zintuighaartjes’. Mieren tasten er de omgeving mee af en nemen zo allerlei prikkels op. Bij een ontmoeting betasten ze mekaar ermee. 

Ze kunnen ook 'ruiken‘ met hun voelsprieten. 

Over de miljoenen jaren van hun bestaan hebben ze specifieke feromonen-cocktails ontwikkeld, waarmee een brede range aan informatie-thema’s gecommuniceerd kan worden. Zo zijn er bijvoorbeeld seksuele feromonen, alarm-, paden markerende feromonen, om honger aan te geven (larven), als noodsignaal, als er gepoetst moet worden, enzovoort. 

Er is ook een typische nestgeur, een kolonie-specifieke feromonen-mix. Om alle nestgenoten hetzelfde te laten ruiken wordt die telkens vermengd met het voedsel dat mieren onderling delen. Bovendien wordt een laagje op de buitenkant van hun lijfjes aangebracht. 

Vriend is van vijand te onderscheiden in enkele milliseconden.

Een werkster-mier is een ‘wandelende batterij’ van klieren met uitwendige secretie (vooral feromonen en gif), uniek in de insectenwereld.

Er is ook een bijzondere klier (metapleuraalklier), die antibiotische stoffen afscheidt ter bescherming tegen bacteriën, talrijk aanwezig in de vochtige omgeving, waar mieren leven.

Wanneer één mier een voedselbron vindt, komt die voor de hele kolonie beschikbaar. De werkster legt een geurspoor aan bij het verkennen van de omgeving. Heeft ze niets gevonden, dan vindt ze de weg terug naar het nest door het eigen geurspoor te volgen (kan zelfs in donker). Heeft de mier wel een voedselbron gevonden, dan versterkt ze het geurspoor op de terugweg. De nestgenoten die het geurspoor volgen, versterken dit op hun beurt met feromonen. Zo ontstaat een mierenstraat. Tot de voedselbron is uitgeput, het feromonenspoor wordt dan niet verder versterkt, en vervaagt.

Alle mieren kunnen bijten (soms gemeen, maar meestal onschuldig). Sommige soorten kunnen ook steken met een angel (bijvoorbeeld rode steekmieren), bij gevaar of nestverstoring.

De steek is pijnlijk, als een bijensteek, maar meestal ongevaarlijk. Bij gevoelige mensen kan een allergische reactie ontstaan. Het gif is chemisch verwant met dat van bijen en wespen. 

Andere miersoorten hebben geen angel ontwikkeld (bijvoorbeeld de rode bosmieren, Formica rufa). 

Ze spuiten gif vanuit een opening in hun achterlijf, ofwel van op enige afstand, ofwel direct op de beetplek. Hun gif, een sterk ruikende, scherp zure vloeistof, bevat hoofdzakelijk mierenzuur. Dit hoeft niet geïnjecteerd, het heeft een cel-oplossende werking, dodelijk voor insecten.

In studies is aangetoond dat de mieren de zure vloeistof ook gebruiken om nestgenoten, besmet met ziektekiemen, te desinfecteren en preventief, om een nieuw betrokken nest te reinigen.

Ook werden bijzondere navigatietechnieken vastgesteld. Mieren tellen het aantal stappen genomen vanaf het nest (‘ingebouwde stappenteller’), gebruiken het magnetisch veld van de aarde (‘ingebouwd kompas’), slaan herkenningspunten op in hun geheugen, en oriënteren zich op de stand van de zon. Hun navigatiepatronen werden in heel wat technische applicaties gekopieerd, zoals ontmijningsrobots, zoekalgoritmes op Google, simulatiemodellen ...

De meeste mieren communiceren ook door geluid, door het schrapen met hun poten op een wasbord-achtig deeltje van hun lijf (stridulatie), zoals ook krekels en cicaden doen. Het geluid is door de mens nauwelijks op te vangen.

Mieren kunnen ook vibraties in de grond ‘horen’ via een orgaantje in hun poten.

Hun spieren zijn in verhouding dikker dan van grote dieren. Ze kunnen tien tot vijftig keer hun eigen lichaamsgewicht dragen, afhankelijk van de soort, en sommige wel honderd keer.

Mieren kunnen zich ook heel snel voortbewegen.

Nog enkele feitjes: mieren stretchen zich bij het opstaan, gapen of geeuwen als ze vermoeid zijn en     halen slechts eenmaal per twee minuten adem. Ze kunnen ook leren door imitatie.

Bovendien zijn het meesters in teamwork. De mier is het zinnebeeld voor vlijt, doelgerichtheid en samenwerking, in bijbelspreekwoorden aangeprezen als voorbeeld voor de mens. De bekende fabel van de Krekel en de Mier is van dezelfde strekking.

Mieren verrichten vele nuttige taken in de natuur, vooral het veilig stellen van nieuw leven. Ze verluchten en verkruimelen de bodem en doorwerken de aarde (evenveel als regenwormen). Ze slepen veel dood materiaal aan en maken het klein, waarna het deels door bacteriën en schimmels verder wordt omgezet. De aarde wordt hierdoor voedzamer. Ze helpen bij het verspreiden van vele planten door het verslepen van hun zaden. Ze ruimen veel voor bos en veld schadelijk ongedierte op (één middelgroot bosmierenvolk doodt jaarlijks circa 8 miljoen insecten). Mieren zijn vaak te vinden waar opgeruimd moet worden. Zo werd vastgesteld dat ze zelfs radioactieve stukjes weg sleepten. Blijkbaar hadden ze geen last van de straling, de mierenhoop groeide gewoon door. 

Mierenzuur (acidum formicum) heeft een eenvoudige formule: HCOOH. De zuivere vloeistof is kleurloos, rokend en heeft een scherpe stekende geur en zure smaak. Hij werkt sterk etsend en tast metalen en weefsels aan. Het kookpunt ligt ongeveer bij dat van water (101°C). Bij 8°C verstart de vloeistof tot een kleurloze vaste stof.

In hoge concentratie (vanaf 80%) is het zuur instabiel en kan bij luchtdichte bewaring langzaam ontbinden tot het ademgif koolmonoxide en water (versneld door warmte en licht).

Direct contact met mierenzuur of geconcentreerde dampen irriteert de ademwegen en ogen. Huidcontact met concentraties boven 10% kan brandwonden geven en bij langdurige blootstelling kan huidallergie ontstaan.

In het mierenlijf zit een grote hoeveelheid mierenzuur opgeslagen. De mier zelf ondervindt er geen last van, er zit een speciale beschermende zak rond de gifklier.

Het menselijk organisme kan mierenzuur in zeer lage concentraties snel en gemakkelijk verwerken, het verlaat het organisme in de urine of wordt omgezet in kooldioxide en water.

In hogere concentraties ingenomen kan het beschadiging toebrengen aan het spijsverteringskanaal, lever en nieren. 

Planten geven mierenzuur vrij door afbraak van oxaalzuur, dat in alle planten aanwezig is (bij de verbranding van suikers). Het is een universeel basisproces in planten. 

Gedurende de nacht wordt oxaalzuur onvolledig ‘verbrand’ tot mierenzuur en CO2 (kooldioxidegas). In de natuur verloopt dit proces enzymatisch, in het lab onder verwarmen en in aanwezigheid van glycerol.

Overdag wordt het oxaalzuur in planten eerst tot mierenzuur afgebroken en vervolgens volledig ‘verbrand’ tot kooldioxide en water: 2 HCOOH + O2 (uit de lucht) —> 2 CO2↑+ 2 H2O. (Daarnaast vindt overdag vooral het suikeropbouwend fotosynthese-proces plaats, waarbij kooldioxide wordt opgenomen en zuurstof afgegeven).

De aarde is voortdurend omgeven door mierenzuur. Over de mierenzuur-kringloop in de natuur is nog heel weinig bekend. Wel werd vastgesteld, via satellietwaarnemingen, infrarood-metingen en simulaties, dat de bossen wereldwijd jaarlijks bijna 100 miljoen ton mierenzuur produceren. De ‘mieren-zuur regen’ is het hevigst boven de noordelijke naaldbossen, de Taiga en de tropische regenwouden.

In bepaalde planten is oxaalzuur opgehoopt aanwezig, vooral in klaverzuring, Oxalis (→ naam oxaal-zuur).

Mierenzuur is aanwezig in de brandharen van brandnetels als een bestanddeel van het netelgif.

Het is echter in hoofdzaak een dierlijke substantie, vooral in mieren aanwezig (→ naam mieren-zuur) en wordt gevormd uit aminozuren. 

Behalve in mieren, wordt het ook bij enkele andere lagere diersoorten opgeslagen in een gifmengsel voor verdedigings- en aanvalsdoeleinden, namelijk bij enkele loopkevers-, schorpioen- en bijensoorten, bij bepaalde rupsen zoals de eikenprocessierups (in de lange haren met weerhaakjes) en bij enkele kwallensoorten (in de netelcapsules). Ook wordt het geproduceerd door (entero)bacteriën, vooral Escherichia coli.

Mierenzuur wordt tegenwoordig in de chemische industrie gesynthetiseerd en voor allerlei toepassingen ingezet: als ontsmettingsmiddel, in schoonmaakmiddelen, als ontkalkend middel, in de kunststofindustrie, bij de chemische synthese van vele organische stoffen, in de leer- en textielindustrie, als looi- of beitsmiddel en als conserveringsmiddel en antibacterieel middel voor veevoeder (gesproeid op vers hooi of ander kuilvoer, stopt het de bederfprocessen).

Tot in 1998 was het een toegelaten conserveringsmiddel in voedsel voor humaan gebruik (E236), ook de zouten ervan natrium- (E237) en calciumformiaat (E238).

Imkers gebruiken mierenzuur 85% (in waterige oplossing) ter behandeling van bijen tegen de Varroamijt.

Het ziet er naar uit dat het ook een belangrijke brandstof voor verbrandingsmotoren kan worden (door opleveren van H2-gas). De stof is biologisch gemakkelijk afbreekbaar.

Volgens de antroposofie spelen de mieren een belangrijke rol in de levenskringloop van de natuur, waarbij de nevelwolk fijn versproeid mierenzuur wordt aangezien als de fysieke manifestatie van hun activiteit.

In het voorjaar, wanneer de natuur herleeft uit haar winterse ‘verstarring’, schieten de planten omhoog. Het in de atmosfeer aanwezige mierenzuur stimuleert de vorming van oxaalzuur in hun bladeren. Dit wordt dan weer als mierenzuur uitgeademd. Deze mierenzuurkringloop maakt, volgens de antroposofie, dat de aarde niet elk jaar afsterft, maar telkens kan herleven. 

Afgestorven organisch materiaal wordt door het mierenzuur-proces ‘weer voor het leven bruikbaar gemaakt’. Dood hout bijvoorbeeld, dat in een soort minerale toestand is overgegaan, zou, volgens de antroposofie, zonder mierenactiviteit verpulveren, tot stof vergaan, dat vervliegt in de ruimte. Het mierenzuur-proces maakt dat het weer tot materiaal wordt voor nieuw leven.     

Mieren hebben iets droogs, doods, houden zich bezig met doden en met het dode, maar dankzij hen kan weer veel leven ontstaan.  

Ook in het menselijke organisme vallen voortdurend organische substanties uit de levenscyclus. 

Ze moeten weer tot leven gebracht worden en omgezet, voor heropname in de opbouwstofwisseling, of uitgescheiden. Dit is, volgens de antroposofische geneeskunde, het ‘mierenzuur-proces’ in het menselijk organisme.

Verloopt dit niet op een gezonde manier, bijvoorbeeld de uitscheiding van urinezuur, dan ontstaat een verhoogde tendens tot afzettingen (kristallen, steenvorming) en verhardingen, verstarring.

Dit kan zich uiten als jicht, sclerose, chronisch degeneratieve gewrichtsziekten, artrose, reumatische klachten en bepaalde lang aanhoudende huidziekten, eczeem.

In al die gevallen wordt mierenzuur-therapie, in de vorm van een Formica-preparaat, ingezet, om op te ruimen, te doorluchten, in beweging te brengen, verkalkingen op te lossen, vooral bij de oudere mens. 

Voor deze preparaten wordt Formica rufa, de rode bosmier (het gehele dier) gebruikt (“formica” is de Latijnse naam voor mier, rufa voor rood). Een derde van het lichaamsgewicht wordt ingenomen door mierenzuur (acidum formicum).

Formica wordt ook in samengestelde producten verwerkt, zoals Bryonia/Formica comp. en Arnica comp./Formica. 

 

Colofon

Weleda Medisch Nieuws is een uitgave van Weleda Benelux SE en verschijnt 4x per jaar.

 

Redactie

Arie Bos (arts / auteur)

Ingrid van Berckelaer (apotheker)

Majella van Maaren (arts / redacteur)

Peter Staal (huisarts en antroposofisch arts)

Angela van Bennekom (coördinator)

 

Digitale vormgeving

Nantke Hooning
Redkiwi

Correctie

Michel Gastkemper

Contact

medisch@weleda.nl

Adres:

Weleda Benelux SE 

Platinastraat 161

2718 SR Zoetermeer