print

Boekbespreking: Waar was ik toen ik er nog niet was?

Arie Bos

Achteraf bleek er veel bloed gevloeid te zijn en was een toeschouwende leerlingverpleegster flauwgevallen. “‘Gelukkig dat ik er niet bij geweest ben’, zei ik tevreden.” Maar waar was ze dan? Dat is de vraag waar ze in dit boek een antwoord op belooft te geven. Dat antwoord zoekt ze bij filosofen, nauwelijks bij neurowetenschappers, en dat vind ik niet zo gek, want die vragen zich dat helemaal niet af. Waar het natuurlijk om draait is: ben ik in essentie geest (of bewustzijn) of ben ik (ook) lichaam? Ze begint uiteraard met Descartes, die de eerste was die een gedachte-experiment deed. Hij vroeg zich af of wat hij waarnam en wat hij wist wel de waarheid/werkelijkheid was. Kon niet een kwaadaardige demon die de werkelijkheid in de vorm van een illusie voorspiegelt hem om de tuin leiden? Om vervolgens uiteindelijk tot het inzicht te komen wat hij in essentie is: ‘ik ben een denkend ding’.

Alle reacties daarop, vooral in de Angelsaksische filosofie, behandelt ze uitvoerig. Nu is het in diezelfde Angelsaksische bewustzijnsfilosofie (philosophy of mind) gebruikelijk gebleken om ook via gedachte-experimenten tot inzichten proberen te komen. Hierbij nemen kwaadaardige wetenschappers de plaats in van de kwaadaardige demon: ze sluiten breinen, die in vaten in leven worden gehouden, aan op een computer, wisselen door transplantatie breinen uit tussen twee mensen, bedenken een neurowetenschapster die nooit kleuren heeft gezien (omdat ze in een kleurloze kamer is opgegroeid en die nooit heeft verlaten), maar er wel alles van weet, althans op neurowetenschappelijk gebied. De vraag is dan: herkent ze, eindelijk buiten gekomen, de kleuren? Meijsing besluit dat dit soort gedachte-experimenten je niet verder helpen, maar gaat vervolgens wel weer in op vergelijkbare argumenten.

Is aanvankelijk nog even de vraag: wat is een ‘zelf’ of een ‘ik’, al snel wordt dit versmald tot: wanneer ben je een persoon? Een persoon is een forensisch begrip: iemand die verantwoordelijk is voor zijn daden. Is een embryo of een pasgeboren kind al een persoon of is iemand met dementie of in vegetatieve staat nog wel een persoon, of iemand met schizofrenie? Gaandeweg dreigde ik mijn belangstelling voor die vraag te verliezen. Wat zijn wij voor wezens vind ik een veel ‘wezenlijker’ vraag. Gelukkig zegt ze er wel iets over: ze maakt duidelijk dat ze niet denkt dat we alleen materie zijn en neemt BDE’s serieus.

Maar het meest interessant, wat mij betreft, is haar gebruik van enkele interessante casussen voor haar betoog. Zo beschrijft ze hoe iemand na een virusinfectie alle propriocepsis is verloren. Het feit dat hij zijn houding en beweging (zijn ‘lichaamsschema’) niet meer voelt, betekent dat hij niet meer willekeurig kan bewegen. Hij is als het ware verlamd, hoewel zijn motorische circuits in orde zijn. Waarneming blijkt voor de beweging minstens even belangrijk als intacte motorische zenuwen en spieren. Maar propriocepsis is niet genoeg, want dat gebeurt pas achteraf (feed back). Veel neurowetenschappers zijn het er tegenwoordig over eens dat onze hersenen (of ‘wij’?) voortdurend voorspellen (feed forward). Lopend door een tram die een bocht maakt blijven we niet overeind als we het van de feedback van de propriocepsis moeten hebben. En soms (of misschien zelfs vaak) komen we tot de conclusie dat we die voorspelling moeten aanpassen. Zo ook bij onze handelingen. Je hand vormt zich al naar het kopje dat je wilt pakken. Als we iets al doende willen corrigeren, komt propriocepsis te laat. Denk aan Epke Zonderland: een keer voorspelde hij niet goed en greep dus mis.

Propriocepsis en deze feed forward (efferentie kopie schijnt het te heten, ik zou het bewegingsintentie willen noemen of bewegingsimaginatie) hoort bij onze zelfperceptie en is dus van belang voor het besef van onszelf en van onze agency (wat we als zelfbeweging zouden kunnen vertalen):als ik op een keukentrapje een pan van de bovenkant van een kast pak, vormen mijn handen zich al van te voren naar de vorm van die pan en doe ik ook een voorspelling over het gewicht van wat ik in handen zal krijgen. Als dat niet klopt, is dat een (onaangename) verrassing. Maar het is nog steeds iets wat ik ervaar als mijn beweging. Als ik door die verrassing van het trapje val, herken ik nog steeds dat dat mij overkomt, maar aanvankelijk niet als mijn beweging, want dat voorspelde ik niet. Mijn vallen kan ik overigens wel weer voorspellen en hopelijk door te corrigeren in goede banen leiden. Mensen met neglect wat betreft hun linker arm kunnen die voorspelling niet meer doen en herkennen hun linkerarm niet meer als behorend tot henzelf. “Het lichaam ... reageert onmiddellijk op de wil. Dit moet niet gezien worden in de zin dat de wil de stuurman van het lichaam is: in het handelen beweeg ik niet mezelf, maar beweeg ikzelf (mijn cursivering, AB).” Dit alles doet sterk denken aan Rudolf Steiners visie op de motorische zenuwen.

Het ervaren van een fantoomledemaat is ook erg interessant. Sommige patiënten kunnen hun fantoomarm en -hand bewegen. Lang is gedacht dat de fantoomarm (het zijn zelden benen) alleen voorkwam bij mensen die oorspronkelijk wel een arm hadden en dus als een soort herinneringsbeeld moest worden gezien. Maar nu blijkt dat mensen die zonder armen worden geboren het ook kunnen hebben. Een meisje bleek zelfs op/met haar fantoomvingers te tellen.

Zo is er nog een casus die je aan het denken moet zetten over de vraag hoe fijn en benijdenswaardig het is om in het hier en nu te leven. Dat zou rust moeten brengen, zo wordt ons verteld. Meijsing vertelt het verhaal van iemand bij wie de beide hippocampi (en ik vermoed, ook het gebied er omheen) zijn verwoest. Hij heeft een herinneringsspanne van dertig seconden. Hij leeft dus in een voortdurend heden en in een voortdurende paniek. Alles waar hij even niet naar heeft gekeken is onherkenbaar en dus stiekem veranderd. Er is maar één lichtpunt: gek genoeg herkent hij zijn vrouw wel en valt hij haar voortdurend, als was hij pas verliefd geworden, in haar armen.

Volgens Meijsing is het onwaarschijnlijk dat mensen out of the blue zelfbewustzijn hebben ontwikkeld. Daar moet in de dieren iets aan vooraf gegaan zijn. De propriocepsis en het voorspellen van de precieze actie van handelingen moeten dieren ook hebben: in een wolk spreeuwen vliegt er niemand tegen elkaar op: ze hebben ieder het besef van de ruimte die ze innemen, zelfs bewegend in een vlucht, maar kennelijk ook van de hele zwerm. Dat besef van lichaamsschema hebben ongetwijfeld alle dieren en dat zou een soort protozelf, zoals de neurowetenschapper Antonio Damasio dat noemt, moeten opleveren.

Al met al een boek voor degene die geïnteresseerd is in de vraag wat zelfbewustzijn is en wanneer wij verantwoordelijk zijn voor onze daden. Wat betreft haar eigen vraag waar ze was tijdens de narcose komt Meijsings tot de conclusie dat ze nu eenmaal belichaamd is, haar zelfbewustzijn onder meer ontleent aan haar lichaam en zij er dus gewoon was. Toch geeft ze nog een antwoord op de vraag wat wij, volgens haar, voor wezens zijn: “Wij zijn, als autopoëtische wezens, precies wat we van onszelf maken... maar dat is een collectieve opgave: ook wat anderen van ons maken.” En dat klopt: zonder andere mensen kun je niet iemand worden.

Monica Meijsing. Waar was ik toen ik er niet was? Een filosofie van persoon en identiteit. Uitgeverij Vantilt. 2018. 288 blz, € 19,95.

 

Colofon

Weleda Medisch Nieuws is een uitgave van Weleda Benelux SE en verschijnt 4x per jaar.

 

Redactie

Arie Bos (arts / auteur)

Ingrid van Berckelaer (apotheker)

Majella van Maaren (arts / redacteur)

Peter Staal (huisarts en antroposofisch arts)

Angela van Bennekom (coördinator)

 

Digitale vormgeving

Nantke Hooning
Redkiwi

Correctie

Michel Gastkemper

Contact

medisch@weleda.nl

Adres:

Weleda Benelux SE 

Platinastraat 161

2718 SR Zoetermeer