print

Dermatodoron, Lysimachia, herba comp., Lysimachia cum Solano

Het preparaat Dermatodoron wordt bereid uit de oertinctuur van twee planten: Lysimachia nummularia (herba, decoctum Ø) en Solanum Dulcamara (herba, decoctum Ø).
Het is beschikbaar als alcoholische druppels, als granulen (de alcoholvrije variant), en, onder de naam: Lysimachia cum Solano, als zalf en gel.
Dermatodoron behoort tot de zogenaamde orgaanspecifieke ‘type’-middelen van de antroposofische geneeskunde. Dit zijn echte basismiddelen, bedoeld om het ‘gezonde midden’ van een orgaanfunctie te versterken. Ze bestaan in de regel uit twee of meer bestanddelen (meestal planten), die een duidelijke verwantschap met het betreffende orgaanproces vertonen, maar tevens grote onderlinge verschillen, zodat ze als het ware elkaars tegenpolen zijn (al dan niet met een verbindende component). ‘Als gezonde voorbeeld’ kan een typemiddel in beide richtingen worden ingezet, zowel bij een ‘te veel’, als bij een ‘te weinig’.
Dermatodoron, dat letterlijk ‘geschenk voor de huid’ betekent, is ontwikkeld als kuurmiddel ter ondersteuning van de gezonde huidfunctie.
Het preparaat wordt in de antroposofische geneeskunde voornamelijk ingezet bij patiënten met verhoogde, grensoplossende stofwisselingsprocessen in de huid, zoals vochtige neurodermitis, vochtige eczemen; zwangerschapsdermatosen.
Voor de druppels, zalf en gel geldt: niet te gebruiken tijdens zwangerschap en borstvoeding.  Dit geldt niet voor de korrels (granulen).    

Een beschrijving van de componenten:

Lysimachia nummularia, of penningkruid, is een kruipende, groenblijvende vaste plant, die behoort tot het wederikgeslacht (Lysimachia) van de Primulaceae (sleutelbloemfamilie).
De soort komt van nature voor in Europa, behalve in de meest noordelijke delen, en is ondertussen ook goed ingeburgerd in Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland.

Met zijn voorkeur voor vochtige tot zeer natte, en zonnige tot half beschaduwde plekken, is penningkruid vooral te vinden aan de oever van plassen en open water, in kortblijvende bermen en grasland en in loofbossen.

Het ondiep wortelend plantje stuurt een lange, wat gegroefde stengel tastend over de bodem, met paren ronde, frisgroene blaadjes dicht tegen zich aan getrokken. De stengel ontpopt zich tot een ‘bovengrondse wortelstok’, wortel schietend op de knopen. Vervolgens groeit hij decimeters verder uit zonder te wortelen om zich dan weer te verankeren. Op deze wijze kan penningkruid gemakkelijk kleine greppels of spleten overbruggen. Maar de plant kan ook langdurige overstromingen doorstaan, omdat het in ondiep water de koolzuurassimilatie weet voort te zetten en nieuwe, zwevende stengels kan vormen.

Aan de ronde vorm van de blaadjes, als een muntje (‘nummulus’) of penning, dankt de plantensoort zijn naam. Houdt men een blad tegen het licht, dan worden kleine donkerrode klierpuntjes zichtbaar (met loep), die  een rood kleurpigment bevatten.

De stengeldelen tussen de knopen (internodiën) worden langer, de blaadjes groter en dan verschijnen, in de niet wortelende stengelstukken, de vrij grote, boterbloemgele bloemen, van juni tot augustus. Op stevige steeltjes komen ze uit de bladoksels omhoog, meestal per twee, en richten zich naar het licht. De kroonblaadjes vertonen kleine donkere klierpuntjes.
Nectar bezitten de bloemen niet. Aan de voet van de (stuif-)meeldraden zitten bijzondere klierharen, die een vette olie afscheiden. Gemengd met stuifmeel, dient de olie als voedsel voor de larven van een speciale bijensoort (slobkousbijen). Op het noordelijk halfrond zijn geel bloeiende Lysimachia-soorten de enige planten met vette-oliebloemen.

Uitgebloeide bloemen knikken omlaag. Vruchten worden maar zelden gevormd en slechts bij hoge uitzondering komt het tot de productie van zaad, dat bovendien maar zeer kort kiemkrachtig is (minder dan één jaar). Lysimachia nummularia vermeerdert zich hoofdzakelijk vegetatief, via stengelfragmenten, die onder meer door water worden verspreid en dan wortel schieten.

Zonder veel energie aan zaadvorming te hebben moeten besteden, kan penningkruid zich, na de bloei, weer in volle kracht werpen op de stengelgroei en vele in cirkelbogen lopende vertakkingen vormen. Doordat de plant op deze wijze een groot deel van het jaar actief is, kan het hele matten vormen en de bodem met een dicht bladmozaïek, als een levende huidlaag, bedekken.
In alle stadia behouden de bladeren hun eenvoudige, ronde vorm.

De antroposofische geneeskunde herkent in Lysimachia nummularia een plant met een sterke relatie tot licht. De oplichtend gele bloemkleur, de gelig groene kleur van het blad, de donkere kliertjes vol kleurpigment (‘verinnerlijkt licht’), waar bloem en blad mee bezaaid zijn en ook het hoge gehalte aan kiezelzuur (siliciumdioxide, SiO2 of kwarts) - circa 30% in de as -, worden beschouwd als de fysieke neerslag ervan. Het feit dat kwartsglas, evenals het zuivere bergkristal, volledig doorlaatbaar is voor licht, zelfs voor ultraviolette straling (in tegenstelling tot de meeste andere vormen van glas) doet duidelijk een verwantschap van kiezelzuur met licht vermoeden. Dat silicium wordt gebruikt in zonnepanelen, om zonlicht in energie om te zetten, wijst eveneens in die richting.
In het menselijk organisme is de grootste siliciumconcentratie te vinden in huid, nagels, haar, bindweefsel en zintuigen (vooral het oog).

Penningkruid bevat tevens een grote hoeveelheid saponinen (karakteristiek voor alle Primulaceae). Dit zijn oppervlaktespanningverlagende stoffen (‘sapo’ betekent zeep in het Latijn), die lucht en water kunnen verbinden tot schuim (bij schudden van de vloeistof), waarbij lucht onder de vorm van minuscule belletjes door een dun waterhuidje wordt omhuld. Saponinen kunnen vetachtige substanties, zoals lecithine, aanwezig in celmembranen, oplossen, waardoor de uitwisseling tussen de cel en de omgeving toeneemt, vooral de opname van voedingsstoffen en afvoer van toxische stoffen. Hierdoor hebben ze een zuiverende werking. Ook werd een bacterie- en schimmeldodend effect aangetoond.
Toepassingen van saponinen via de huid of het verteringskanaal zijn in de meeste gevallen veilig. Direct geïnjecteerd in de bloedbaan zijn ze echter gevaarlijk, omdat ze een hemolyse kunnen uitlokken door de lecithine in de membraan van rode bloedcellen op te lossen, waardoor de rode bloedcel uiteenvalt.

Verdere belangrijke inhoudsstoffen zijn de looistoffen met hun samentrekkende (adstringerende) werking. Aan deze stoffengroep worden ook ontstekingsremmende, antiseptische en bloedstelpende eigenschappen toegekend.

Bereidingen uit de bovengrondse delen van penningkruid worden al eeuwenlang uitwendig toegepast ter verzorging van wonden, verzweringen en chronisch eczeem bij kinderen.
Omwille van de adstringerende en zwak diuretische eigenschappen, worden ze in de volksgeneeskunde ook inwendig gebruikt bij diarree, inwendige bloedingen, speekselvloed, jicht en reuma.

In de antroposofische geneeskunde wordt de geel bloeiende Lysimachia nummularia met zijn kiezelzuur-, saponine- en looistofproces voornamelijk ingezet om de toegang van de voedingsstroom tot het huidorgaan te bevorderen en, gecombineerd met de plant Solanum Dulcamara (bitterzoet) om er een evenwicht tussen stofwisselings- en vormgevingsprocessen te helpen tot stand brengen.

Solanum dulcamara, of bitterzoet, is een vaste plant uit de grote Nachtschadefamilie (Solanaceae). Een beruchte familie, want heel wat leden zijn behoorlijk giftig, minstens in een aantal van hun onderdelen. Bekende voorbeelden zijn de wolfskers (Atropa belladonna), alruin (Mandragora) en bilzenkruid (Hyoscyamus), maar ook belangrijke voedingsgewassen, als de aardappel, tomaat, paprika en aubergine, behoren tot deze familie.

Bitterzoet komt van nature voor in de gematigde zones van het noordelijk halfrond, in Europa en Azië, maar is ook verder ingeburgerd. De plant stelt weinig eisen aan de bodem. Hij is vooral te vinden op zonnige tot licht beschaduwde plekken met vochtige tot natte grond, zoals bij beken en rivieren. Zowel de wortelstokken als de stengels kunnen ver het water in groeien.
Maar ook op droge (zand)grond houdt de plant stand, zelfs hoog op een duin.

Vanuit een kruipende, vertakte wortelstok groeit Solanum dulcamara uit tot een warrig struikje, met vele dunne, vaak wat paars aangelopen twijgen, die zich schijnbaar onafhankelijk van elkaar ontwikkelen en steeds maar doorgroeien. Ze missen de stevigheid om goed rechtop te blijven, hangen vaak tegen de grond. Steunend op sterkere planten of andere steunpunten, lukt het bitterzoet meestal toch om omhoog te klimmen, naar het licht toe, vaak tot twee meter hoog (en meer), al dan niet windend en zonder hechtranken. De wat zwaardere stengels verhouten en overwinteren gewoonlijk, althans de onderste halve of hele meter ervan; de (latere) bloeitwijgen sterven na vruchtzetting af.
Er wordt rijkelijk gebladerte gevormd, maar het leidt niet tot een geordend, harmonisch geheel. Als sierplant is bitterzoet weinig geschikt.

De dunne bladeren staan om en om aan de stengel, optimaal naar het licht gericht. De bladvorm varieert sterk: breed hartvormig met scherpe punt, spiesvormig driedelig (met twee zijvleugels en een langwerpig eindsegment) en bovenaan, naar de bloeistand toe, steeds smaller en spitser, pijlvormig. Het frisse, wat donkere groen verkleurt in de herfst tot zwartachtig violet.

Wanneer in de hoogzomer de bloemen met hun opvallende paars-geel kleurcombinatie verschijnen, wordt bitterzoet plots heel herkenbaar in de vegetatie waarin hij omhoog klimt.
De stervormige dieppaarse bloemen hangen in losse trossen van drie tot twintig stuks omlaag, in een andere richting dan het blad. De vijf aan de voet vergroeide kroonblaadjes spreiden zich eerst wijd uit en slaan later om (zoals bij een cyclaam).
De meeldraden vergroeien tot een ‘meeldraadbuis’ (typisch voor de nachtschadegewassen). In het midden van dit opvallend felgeel uitsteeksel komt de stamper naar buiten.
Er zitten tien groene vlekjes met een witte rand op de bloemkroon, in een cirkel rond de meeldraadbuis. Ze glinsteren alsof er nectar op ligt, maar scheiden geen merkbare hoeveelheid af.

De vruchten zijn glimmende, naar omlaag hangende, eivormige bessen, die eerst groen, dan geel, oranje en, in rijpe toestand, stralend rood kleuren. Het lijken nietige tomaatjes. De smaak ervan is waterig zoet en dan brandend. Ze zijn giftig voor mensen (het meest in onrijpe toestand), maar niet voor vogels, die een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van de zaden.

Solanum dulcamara-stengels worden traditioneel gebruikt als bloedzuiverend middel, bij chronisch jeukend eczeem, hardnekkige huiduitslag, chronische bronchitis, astma, reuma, jicht.
Het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’* dat er voldoende evidence is voor het veilig inzetten ervan bij mild, chronisch eczeem, als uitwendige toepassing.
De overige traditionele toepassingen worden niet geschikt bevonden voor zelfzorg (een registratie-voorwaarde voor traditional herbal products). Het feit dat Solanum dulcamara L. in de literatuur als een toxische plant beschouwd wordt en er weinig klinische safety data voorhanden zijn, werd in de beoordeling meegenomen.

Toch behoren planten van het geslacht Solanum duidelijk tot de minder giftige binnen de nachtschadefamilie. Naast bitterzoet zijn onder meer de aardappel-, tomaat-, paprika- en aubergine-plant typische Solanum-planten. Ze bevatten niet diezelfde sterk toxische alkaloïden als Atropa belladonna, Hyoscyamus, Datura stramonium, Nicotiana en andere nachtschadegewassen, maar ‘glyco-alkaloïden’. Dit zijn verbindingen van alkaloïden met suikers (glycosiden), die veel minder giftig zijn, hoewel niet ongevaarlijk, zeker in hoge doses.

Bij bitterzoet zitten verschillende soorten glyco-alkaloïden in de bessen, stengels en bladeren.
Kauwt men op een bitterzoetstengel, dan proeft men eerst iets bitter en dan zoet. Bitter smakende glycosiden worden namelijk door het speeksel ontleed, waarbij suikers vrijkomen, die de zoete smaak opleveren. De soortnaam ‘Dulcamara’, die oorspronkelijk (en meer correct) ‘amaradulcis’ was, is in het Nederlands (letterlijk) vertaald als ‘bitterzoet’. (Dit is ook in vele andere talen het geval.)
De geslachtsnaam ‘Solanum’ is waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse woord ‘solari’, dat troosten, verlichten betekent (‘soelaes’ brengen).

Verdere belangrijke inhoudsstoffen zijn de saponinen (zeepstoffen), slijmstoffen, looistoffen, en in de as een aanzienlijke hoeveelheid kiezelzuur (tegen 18%).

De antroposofische geneeskunde herkent in Solanum Dulcamara een plant met zuiverende, verzachtende en samentrekkende eigenschappen, een kiezelzuurplant met (milde) nachtschade-werkingen. Bitterzoetpreparaten worden voornamelijk ingezet bij huidontstekingen met jeuk, broeierigheid, netelroos, nattend eczeem, en bij slijmvliesontstekingen van de ademwegen, de bronchiën, darmen en blaas, in het bijzonder wanneer daarmee een ‘verkrampen’ verbonden is.

Ook binnen de homeopathie wordt bitterzoet bij verschillende huidaandoeningen toegepast, voornamelijk bij eczeem.


*Assessment report on Solanum dulcamara L., stipites www.ema.europa.eu/ema/pages/includes/document/open_document.jsp?...
15 January 2013 . EMA/HMPC/734363/2011 . Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC)

Lysimachia nummularia en Solanum dulcamara, Dermatodoron
Het zijn heel verschillende planten: het frisse, geel bloeiende penningkruid (Lysimachia nummularia), dat zich als een huidje over de bodem uitstrekt en het via steunpunten naar het licht klimmende bitterzoet (Solanum dulcamara), dat, als nachtschade-gewas, een zekere donkerte en giftigheid in zich draagt.
Toch hebben ze vele overeenkomsten, zoals een voorkeur voor water en licht, een geringe oprichtkracht en de neiging om eindeloos door te groeien. Het vegetatieve overheerst.
Bij allebei zijn sterke kiezelzuur-, saponine- en looistofprocessen aanwezig. Op de huid en de slijmvliezen zijn de effecten het duidelijkst waarneembaar.
Door in Dermatodoron beide planten, met hun specifieke dynamiek en eigenschappen, samen te voegen, wordt een evenwicht in werking nagestreefd. Het preparaat wordt ingezet om de gezonde huidfunctie te helpen herstellen, zowel bij ‘een teveel’, als bij een ‘te weinig’.