print

Choleodoron

Het geneesmiddel Choleodoron wordt bereid uit twee bekende geneesplanten: Chelidonium majus en Curcuma xanthorrhiza. Van de eerste plant wordt een extract uit de verse wortelstok verwerkt, van de tweede een afkooksel (decoct) uit de gedroogde wortelstok.

Choleodoron wordt in de antroposofische geneeskunde gebruikt om de galproductie en galsecretie te stimuleren. Via de gal scheidt de lever afbraakproducten uit (zoals bilirubine); door de galzouten worden vetten geëmulgeerd, waardoor ze gemakkelijker kunnen worden verwerkt en opgenomen in de opbouwstofwisseling. Verloopt dit alles niet optimaal, dan wordt Choleodoron ingezet met als doel de opbouw- en afbraakprocessen in lever en gal weer in balans te brengen. Meestal wordt het preparaat onder de vorm van een kuur toegepast, over verschillende maanden, vaak nog gecombineerd met het levermiddel Hepatodoron.

Een beschrijving van de bestanddelen:

 

Chelidonium majus

Chelidonium majus of stinkende gouwe, is een algemeen voorkomende vaste plant uit de papaverfamilie (Papaveraceae). De plant, die tot 1 meter hoog kan worden, geeft de voorkeur aan schaduwplekken en humusrijke grond; men treft hem het vaakst aan tussen kreupelhout en in vochtige ruigten.

De bijnaam ‘Stinkende’ dankt de plant aan de onaangename geur van het melksap. ‘Gouwe’ is een oude benaming voor een weg langs de wateringen, waar de plant vaak groeit. Maar het kan ook spreektaal zijn voor ‘goud’(de plant wordt ook Goudwortel genoemd).

De geslachtsnaam 'Chelidonium' zou van het Griekse woord 'chelidon' komen, wat 'zwaluw' betekent, omdat de bloeitijd van de plant samenvalt met de komst en het vertrek van de zwaluwen. Er bestaat ook een oude fabel, waarin zwaluwen hun blind geboren jongen met het sap van deze plant ziende maken (Chelidonium wordt ook bij oogkwalen ingezet).

Een andere uitleg is dat ‘Chelidonium’ een verbastering is van de naam die alchemisten aan het kruid gaven: 'coeli donum' of ‘geschenk van de hemel’, omwille van zijn ‘verheven’ eigenschappen. 'Majus' betekent 'groot'.

Stinkende gouwe bloeit van mei tot eind oktober met kleine zwavelgele bloemen, waarvan de vier kroonblaadjes kruisgewijs uitstaan. De bloemen verwelken weliswaar snel, maar telkens verschijnen er weer nieuwe, tot diep in de herfst. Tijdens de bloei wordt ook nieuw blad gevormd. Aan één plant kan men zo alle stadia ontdekken: jonge bladeren, bloemen én rijpe vruchtjes. Deze laatste zijn lange, smalle vruchtdozen (hauwtjes), die zich pal omhoog richten en via kleppen open springen. Mieren verslepen de kleine zwartbruine zaden op hun wandelwegen vanwege de vettige witte zaadsluier, waar ze dol op zijn (mierenbroodje). Op die manier duikt de plant soms op totaal onverwachte plaatsen op, zoals tussen stoeptegels en in muurspleten.

Chelidonium overwintert in de grond met een korte, bruinoranje wortelstok (rhizoom), die talrijke oranje worteltjes draagt. Uit één rhizoom kunnen verschillende scheuten omhoog komen. 

De stengel is hol en behaard, vertoont vertakkingen, knopen en verdikkingen en breekt gemakkelijk af. Het vlezige, zachte blad, met kleine haartjes bezet, is grof gekarteld tot diep ingesneden. De bovenkant is teergroen, de onderkant grijs-blauwig groen. 

Plukt men een willekeurig deel van de plant, dan verschijnt meteen geeloranje melksap (latex) op de wond, hoe dichter bij de wortel, hoe donkerder van kleur. Het sap heeft een sterke, onaangename geur en een bittere smaak, als gal, en werkt etsend op huid en slijmvliezen.

De volksnaam ‘wrattenkruid’ verwijst naar het eeuwenoude gebruik om wratten te behandelen met het verse melksap. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat het eiwit-verterende enzymen bevat (proteolytische werking) en stoffen, die de normale celdeling in bepaalde stadia afremmen (antimitotische werking). 

Stinkende gouwe bevat tevens verschillende isoquinoline-alkaloïden en is om die reden geen ongevaarlijke plant, zeker niet in hoge concentraties. Tot op heden zijn er een twintigtal alkaloïden geïdentificeerd, zoals chelidonine, coptisine, berberine en sanguinarine. Ze behoren, scheikundig gezien, duidelijk tot de papaverfamilie. De sterkste concentratie aan alkaloïden is te vinden in de wortelstok. Deze bevat ook etherische olie, een substantie die feitelijk hoort bij het bloeiproces van een plant. Bij Chelidonium ís de ‘bloeikracht’ dus tot beneden in de wortel doorgedrongen.

Van preparaten uit de verse plant zijn allerlei geneeskrachtige werkingen aangetoond*, vergelijkbaar met die van het totaalalkaloïden-extract; de belangrijkste zijn: een bevorderen van de galstroom van de galblaas naar de darm (cholagoge werking), een sederend effect op het centraal zenuwstelsel en mild analgetische, antimicrobiële en immuun-stimulerende eigenschappen.

Fenomenologisch bekeken toont Chelidonium zich als een vitale plant, die zich uitleeft in blad-stengelgroei. Zelfs de bloei kan dit groene leven niet afremmen of stoppen.

Naast deze ‘waterige vitaliteit’ is er echter duidelijk nog een krachtenspel actief. Dat is af te lezen aan de rijkelijke bloei, die tot wel zes maanden aanhoudt, de gekartelde tot diep ingesneden bladvorm, de giftigheid en felle kleur van het melksap. De hierbij gevormde alkaloïden, plantenstoffen die veel stikstof bevatten, zijn te beschouwen als afbraakproducten van een voor een plant ‘abnormale’ (bijna 'dierlijke') eiwitstofwisseling. Stinkende gouwe slaagt er bij dit alles in om zijn plasticiteit en vitaliteit te behouden. 

In juiste dosering toegediend worden Chelidonium-preparaten in de antroposofische geneeskunde ingezet om het menselijk organisme te helpen om de balans te herstellen tussen opbouw- en afbraakprocessen in lever en gal. Het therapeutische doel is om enerzijds de galproductie (cholerese) en galafscheiding (cholekinese) te stimuleren en anderzijds om een te sterke afbraak waarbij (‘mineraliserende’) substanties als cholesterol en kalk neerslaan, tegen te werken. Voor deze toepassingsgebieden wordt voornamelijk de wortelstok gebruikt (Chelidonium, rhizoma).

Preparaten uit de bloem (Chelidonium, flos) zet de antroposofische geneeskunde vooral in om de schildklier aan te spreken (‘het hersen-orgaan van de stofwisseling, dat in stoffen denkt’).

Voor de verwerking in Choleodoron wordt de rhizoom met de daaraan zittende worteltjes geoogst in het voorjaar, voordat de bladgroei begint.

Waarschuwing: bij gebruik van Chelidonium-preparaten zijn, bij overdosering of te lang behandelen, gevallen van leverbeschadiging gemeld. Om die reden wordt aanbevolen om bij langdurig gebruik de leverfunctiewaarden (transaminasen) te controleren.

*Onder meer:
European Medicines Agency. Assessment report on Chelidonium majus L., herba. Date of Publication: 20/01/2012.http://www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2012/01/WC500120711.pdf

www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/21320026 Inhibitory effects of chelidonic acid on IL-6 production by blocking NF-κB and caspase-1 in HMC-1 cells. Shin HJ1, Kim HL, Kim SJ, Chung WS, Kim SS, Um JY. Immunopharmacol Immunotoxicol. 2011 Dec;33(4):614-9. doi: 10.3109/08923973.2011.552508. Epub 2011 Feb 15

 

Curcuma xanthorrhiza

Curcuma of geelwortel behoort tot de familie van de gemberachtigen (Zingiberaceae). De plant verkiest vochtige en warme gebieden, zoals in tropisch Azië. Van de ongeveer 80 soorten worden Curcuma longa (de echte geelwortel) en Curcuma xanthorrhiza (de Javaanse geelwortel) het meest gebruikt én bestudeerd. In de VOC –periode brachten de Nederlanders de Javaanse variant mee naar Europa, onder de inheemse naam: ‘Temoe Lawak’. 

Net als gember ontwikkelt Curcuma ondergronds een sterk vertakte, vlezige wortelstok met knolachtige verdikkingen en zijwortels. Een bundel smalle, langwerpige bladeren ontspringt direct uit de wortelstok. Ze kunnen tot wel tachtig centimeter lang worden. Uit de wortelstok komt daarna een bloemstengel omhoog, met aan het eind de bloeiwijze. Deze bestaat uit een krans kleurrijke schutbladeren, met eronder de kleine witgele bloem(en).

Als de plant bovengronds is verdord (december – januari), graaft men de ondergrondse delen uit. De knollen en de wortelstok worden van de zijwortels ontdaan, in schijven gesneden, gedroogd en dan fijn vermalen. 

Het aromatisch geurende Curcuma-poeder wordt veel gebruikt in de Aziatische keuken. Het geeft een mooie, diep gele kleur aan de gerechten (populair bij rijst), en bevordert bovendien de vertering ervan door zijn licht bittere smaak. Curcuma is één van de hoofdbestanddelen van kerrie.

Naast culinair wordt geelwortel ook al eeuwenlang in de volksgeneeskunde gebruikt. De voornaamste toepassingsgebieden zijn lever- en galproblemen, geelzucht en algemene spijsverteringsklachten, daarnaast ook artritis (ontstekingsremmend), hart- en vaatziekten (cholesterol verlagend) en zelfs dementie en bepaalde kankersoorten.

Wetenschappelijk onderzoek naar het werkingsmechanisme van de plant, dat de afgelopen jaren steeds meer plaats vond, lijkt nu die volksgeneeskundige toepassingen één voor één te onderbouwen. 

Twee bestanddelen, die in hoge mate verantwoordelijk worden geacht voor de heilzame effecten van Curcuma, zijn de etherische olie (voor 60% bestaande uit sesquiterpenen) en curcumine, de belangrijkste geeloranje kleurstof. Op deze laatste focust zich tegenwoordig het meeste onderzoek. De stof is vet-oplosbaar en heeft geen moeite de bloed-hersenbarrière te passeren. 

In honderden in-vitro en dier-studies* zijn geneeskrachtige eigenschappen van Curcuma en curcumine vastgesteld. Diverse reviews beschrijven de cellulaire, moleculaire en biochemische werkingsmechanismen van curcumine, waaronder anti-oxidatieve, ontstekingsremmende, immuno-modulerende, wond helende, lipiden verlagende, ontgiftende, lever beschermende, ontkrampende, neuro-protectieve, spijsvertering bevorderende, anti-angiogenese en antimicrobiële eigenschappen. Curcumine blijkt de zes typerende eigenschappen te kunnen afremmen, die kankercellen onderscheiden van gewone cellen. Er werd trouwens al hard bewijs gevonden dat het voor celdood zorgt in kankercellen van de galwegen.

Het aantal humane klinische studies** is echter beperkt. Dat heeft alles met geld te maken. Westerse geneeskunde wordt hoofdzakelijk bedreven door grote farmabedrijven en die investeren alleen in stoffen waar een verdienmodel aan vastzit. Op Curcuma echter is geen patent aan te vragen – net als op tal van andere natuurlijke stoffen – en dus is de verkoop niet exclusief voorbehouden aan degene die het onderzoekt.

Omwille van de veelbelovende anti-tumorwerking, financiert het Nationaal Fonds Tegen Kanker sinds kort klinisch onderzoek met curcumine bij kankerpatiënten in het AMC (Dr. Michal Heger, afdeling Experimentele Chirurgie, Academisch Medisch Centrum te Amsterdam)***. Het onderzoek focust zich op het vinden van de optimale toedieningsvorm voor een voldoende concentratie aan curcumine in het bloed. De verwachtingen zijn hooggespannen.

Fenomenologisch bekeken, toont Curcuma zich als een uitgesproken warmte-plant, die er zelfs in slaagt om in haar ondergrondse organen sterk aromatische stoffen, etherische olie en felle geeloranje kleurstoffen te vormen, substanties die normaal tot het bloemgebied behoren.

Net als Chelidonium heeft ook Curcuma cholagoge en choleretische eigenschappen. Echter, de grote verschillen in groeiplek, de uiterlijke verschijningsvorm én de inhoudsstoffen wijzen op een volledig andersoortig, grotendeels complementair karakter van deze werking.

Te hoge doseringen van curcumine-preparaten kunnen aanleiding geven tot prikkeling van het maagslijmvlies en dienen vermeden te worden door patiënten met een maag- of darmzweer. Soms kan het gebruik van geelwortel-extracten de frequentie van de ontlasting verhogen.

 

Chelidonium cum Curcuma (Choleodoron)

Door dit tropische, warmte-doordrongen gembergewas te combineren met Chelidonium, het vitale, enigszins giftige papavergewas, is beoogd een preparaat te breiden met een breed werkingsspectrum. 

Het therapeutisch doel is om de afbraak- en opbouwprocessen in het stofwisselingssysteem te harmoniseren en de afscheiding van de gal te stimuleren, waardoor de verteringsprocessen beter verlopen, en hierdoor ook de opbouwstofwisseling wordt bevorderd en eventuele krampen verdwijnen. 

*onder meer:

- Identification of an active principle in essential oils and hexane-soluble fractions of Curcuma xanthorrhiza Roxb. showing triglyceride-lowering action in rats. Yasni, S., Imaizumi, K., Sin, K., Sugano, M., Nonaka, G., Sidik, n.u.l.l. Food Chem. Toxicol. (1994)[Pubmed]

- WHO Monograph Rhizoma Curcumae Longae. In: WHO monographs on selected medicinal plants, vol 1 Genf 1999;115-124.

- Yang F, Lim GP, Begum AN et al. Curcumin inhibits formation of amyloid beta oligomers and fibrils, binds plaques, and reduces amyloid in vivo. J Biol Chem. 2005;280(7):5892-5901.

**www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10495621 1. Med Klin (Munich). 1999 Aug 15;94(8):425-30. The effect of Chelidonium- and turmeric root (Curcuma longa) extract on upper abdominal pain due to functional disorders of the biliary system. Results from a placebo-controlled double-blind study.

*** https://www.gezondnu.nl/dossiers/kanker/kerrie-tegen-kanker-tien-vragen-aan-een-gedreven-onderzoeker