print

Chelidonium comp.

Het geneesmiddel Chelidonium comp. bevat maar liefst elf planten, in geconcentreerde vorm (oertinctuur), dit zijn: Chelidonium (rhizoma), Carduus marianus (fructus, decoctum), Onopordon (folium), Taraxacum (planta tota), Urtica dioica (planta tota) en drie varens en drie wilgen (folium) in een speciale bereiding (Filices/Salices comp.). 

Die veelheid aan planten, met hun eigen specifieke processen, maakt Chelidonium comp. tot een echt ‘breedspectrum’-preparaat, dat in de antroposofische geneeskunde als kuurmiddel wordt ingezet bij allerlei verstoringen van lever-, gal- en maagdarm-processen en daaruit voortkomende klachten, zoals obstipatie of diarree (chronische vormen), leververvetting, metabool syndroom, migraine.

Een beschrijving van de componenten:

 

Carduus marianus, mariadistel

De mariadistel, met botanische naam: Silybum marianum (vroeger Carduus marianus), komt vooral voor in de landen rond de Middellandse Zee, op droge en rotsachtige bodem, maar heeft zich ook verspreid naar West-Europa. Het is een stevige één- of tweejarige plant, die een dikke penwortel vormt en makkelijk tot 1,50 m hoog kan worden.

De plant heeft grote, glanzend groene bladeren, opvallend witachtig gemarmerd. Ze zijn bochtig gelobd met stekelige tanden aan de rand. Volgens de legende zijn de melkachtige vlekken de overgeërfde sporen van melkdruppels, ontvallen aan de boezem van Maria toen zij in allerijl met haar kindje vluchtte voor de vervolging van Herodes. De naam Maria-distel, en ook ‘marianum’ (respectievelijk ‘marianus’), is hieraan ontleend.

De bladeren vormen eerst een rozet, laag tegen de bodem. Hieruit stijgt (meestal pas in het tweede jaar) een forse, gegroefde, wollig behaarde stengel omhoog, die blad mee de hoogte in neemt en zich bovenaan vertakt.

Carduus marianus behoort tot de samengesteldbloemigen of composieten (Asteraceae). Het algemeen kenmerk van deze plantenfamilie is dat vele bloemen samen op één bloembodem staan, waardoor een ‘bloemhoofdje’ gevormd wordt, dat er uitziet als een enkele bloem. Elk individueel bloempje is ondergeschikt aan het geheel, wat de bloeiwijze op een hoger niveau tilt en de composieten tot de hoogst georganiseerde plantenfamilie maakt.

Een samengestelde bloem kan bestaan uit een hart van buisbloempjes en een rand van lintbloempjes (bijvoorbeeld kamille, Arnica, Calendula), maar kan ook uit alleen lintbloempjes opgebouwd zijn (bijvoorbeeld Taraxacum, Cichorium) of uit alleen maar buisbloempjes. Dit laatste is het geval bij Carduus marianus (en Onopordon en andere distels).

De mariadistel bloeit van juni tot september, met paarse halve-bol-vormige bloemhoofdjes, boven een omwindsel van uitstaande schutbladeren met lange, scherpe stekels. De bloemhoofdjes bestaan uit louter buisbloempjes, die pal omhoog gericht staan op de gemeenschappelijke bloembodem.

De vrucht is een glanzend, zwartbruin nootje met zijdeachtig, wit vruchtpluis (pappus), gevormd door een bos haartjes, die onderaan tot een ring zijn vergroeid.

Sinds de oudheid kent men de plant als voedingsgewas. De jonge bladeren worden als salade gegeten, de wortels en de nog gesloten bloemhoofdjes (zoals artisjok) in water gekookt als groente. De hele plant wordt gemalen als veevoeder gebruikt, en vogels eten graag de zaden.

Maar ook de medicinale toepassing kent een lange traditie. In de 16e eeuw bijvoorbeeld staat mariadistel in de kruidenboeken als hoofdmiddel beschreven bij lever- en gal-aandoeningen. De plant bouwde ook een stevige reputatie op als ‘antidotum’ (tegengif) bij vele vergiftigingen.

Wetenschappelijk onderzoek naar het ‘werkingsmechanisme’ van de plant, dat de afgelopen decennia veelvuldig plaatsvond, blijkt die volksgeneeskundige toepassingen te kunnen onderbouwen.

In 1959 werd uit de rijpe zaden een bestanddeel geïsoleerd met een duidelijk effect op de leverfunctie. Het werd ‘silymarine’ genoemd. Later bleek het geen enkelvoudige component, maar een mengsel van zeer gecompliceerde flavonoïden, met als belangrijkste: silybine, silycristine en silydianine, waarbij het silybine algemeen wordt beschouwd als het sterkst werkzame in de silymarine-groep. 

In de Kommission E*-monografie van Silybum marianum uit 1986 werd het ‘werkingsmechanisme’ van de plant opgenomen. Het werd later nog verder uitgediept en uitgewerkt door verschillende wetenschappers en ook opgenomen in de WHO-monografie**. De focus ligt vooral op silymarine (en silybine in het bijzonder). De belangrijkste vaststellingen zijn de hepatocellulaire bescherming en de antioxidantwerking. Zo heeft men ontdekt dat silymarine gifstoffen neutraliseert, die de lever kunnen aantasten - zoals alcohol, drugs, giftige paddenstoelen, chemicaliën en schadelijke restproducten van de stofwisseling -, door de structuur van de buitenste celmembraan van levercellen zodanig te wijzigen, dat de gifstoffen de cel niet meer kunnen binnendringen. Ook werd aangetoond dat silymarine het regeneratievermogen van de lever doet toenemen door stimulering van de activiteit van het nucleaire polymerase A–enzym, met als gevolg een stijging van de ribosomale proteïnesynthese, zodat beschadigde levercellen snel worden vervangen. 

Naast silymarine komen in de vruchten van de Mariadistel nog andere flavonoïden voor, en vooral looistoffen, bitterstoffen, fytosterolen, vette oliën en eiwitten, waaronder tyramine en histamine. 

In de antroposofische geneeskunde worden preparaten uit Carduus marianus-vrucht ingezet om stuwings- en verhardingstendensen in stofwisselingsprocessen op te lossen en te vitaliseren, voornamelijk in het lever- en galgebied.

*Duitse deskundigencommissie voor de beoordeling van plantaardige geneesmiddelen (registratieprocedure)

**Fructus Silybi Mariae - World Health Organization
apps.who.int/medicinedocs/en/d/Js4927e/29.html
Fructus Silybi Mariae consists of the dried ripe fruits, freed from the pappus, of Silybum marianum (L.) ..... The complete German Commission E monographs.

 

Onopordon

De wegdistel, met botanische naam: Onopordum acanthium (vroeger Onopordon), is een imposante, tot wel 3 m hoge, tweejarige distel uit de composietenfamilie (Asteraceae).

De plant is afkomstig uit dezelfde gebieden als Carduus marianus, en heeft zich over geheel midden Europa, Zuid-Rusland, tot aan westelijk Azië uitgebreid, naar het vochtige westen toe iets minder uitgesproken. Het best gedijt de wegdistel in gebieden met korte voorjaarsregens en lange, lichte, droge zomers.

Uit het zaad, dat in de herfst is uitgevallen, verschijnt eerst een krachtig bladrozet, dat de groei van een sterke, lange penwortel voedt. Lang en breed strekken zich de zilverig groene, plastisch gewelfde bladeren, ritmisch in brede, driehoekige punten verdeeld. De krachtige bladnerven stoten door de bladrand heen en verstarren dan in een scherpe punt.

Het volgende voorjaar neemt het bladrozet nog in massa toe, totdat, in de vroege zomer, een forse stengel de hoogte in gaat - meerdere centimeters per dag - en zich rijkelijk ‘kandelaarachtig’ vertakt. 

Wat door wortel en bladrozet in de diepte en in het horizontale (‘systolisch’) is verzameld, wordt nu (‘diastolisch’) in het verticale ‘uitgeademd’. Meer dan manshoog streeft de plant omhoog, tot tenslotte elke straal in een grote, paarse samengestelde distelbloem eindigt, met stekels omgeven en pal omhoog gericht. De nectarrijke buisbloempjes worden druk bezocht door bijen, hommels en vlinders.

De bladeren worden in het verticale meegenomen, tot de top, en vergroeien aan de basis vleugelachtig met de stengel. Tegen de bloem aan zijn het nog slechts smalle stekelige slippen. Stengels en blad zijn als met spinrag grijs berijpt. De vrucht is een nootje. Het zaad is afgeplat vierkantig en draagt een kroontje van roodachtige haren. 

De gehele plant straalt vitaliteit en vormkracht uit. 

De randen en top van de sappige bladeren verstarren in tanden en stekels en vormen zo een onbuigzame grens, die de weke, plastische bladsubstantie stuwt en in ritmische welvingen doet golven. Onopordon kan meesterlijk omgaan met dit intensieve samenspel van plastisch-vloeibare én verhardende, uitdrogende tendensen, dat de typische distel-gestalte doet ontstaan.

In de antroposofische geneeskunde maakt men dankbaar gebruik van deze eigenschappen. Onopordon-preparaten worden ingezet om vitaliteit en vorm te brengen in de ritmische processen van bloedsomloop en stofwisseling. Onopordon-bloemen worden (samen met Primula-bloemen en Hyoscyamus) verwerkt in Cardiodoron, een bijzonder preparaat om het hartritme te ondersteunen. Extracten uit Onopordon-blad, zoals in Chelidonium comp., worden vooral als levermiddel toegepast.

 

Taraxacum officinale

Taraxacum officinale, de gewone paardenbloem, is in onze streken een van de meest bekende en meest verspreide planten. Het is een overblijvende plant behorende tot de samengesteldbloemigen of composieten (Asteraceae). Het algemeen kenmerk van deze plantenfamilie is dat vele bloemen samen op één bloembodem staan, waardoor een ‘bloemhoofdje’ gevormd wordt, dat er uitziet als een enkele bloem. Elk individueel bloempje is ondergeschikt aan het geheel, wat de bloeiwijze op een hoger niveau tilt. Dit maakt de composieten tot de hoogst georganiseerde plantenfamilie.

Een samengestelde bloem kan uit een hart van buisbloempjes en een rand van lintbloempjes bestaan (bijvoorbeeld bij de kamille, Arnica en Calendula), maar kan ook uit alleen buisbloempjes opgebouwd zijn (bijvoorbeeld bij distels als Onopordon en Carduus marianus) of uit alleen maar lintbloempjes. Dit laatste is het geval bij de paardenbloem.

Met een zeer levenskrachtige penwortel boort Taraxacum zich (decimeters) diep in de aarde. Een paardenbloem kan men heel moeilijk “met wortel en al uitroeien”, er blijft altijd wel een stukje zitten dat weer gaat schieten.

Blad na blad verschijnt, sappig groen van kleur, vaak met een dieprode tint aan de middennerf naar de basis toe. De bladeren gaan niet langs een stengel omhoog, maar blijven in een rozet dicht tegen de bodem aan.

Een paardenbloemblad is heel herkenbaar, en toch zijn er geen twee planten met identiek dezelfde bladeren. De groeiomstandigheden spelen hierbij een cruciale rol en leiden tot ontelbare bladvormvarianten. Groeit een paardenbloem op een schaduwrijke, vochtige plek, dan krijgt ze relatief grote, weinig ingesneden bladeren. Staat ze meer in het licht en op drogere grond, dan verschijnen de typische diepe, ritmische insnijdingen in de bladrand, waaraan de plant de Latijnse naam Dens leonis of leeuwentand dankt, Löwenzahn in het Duits, Dent de lion in het Frans, in het Engels verbasterd tot Dandelion.

Al vroeg in het voorjaar stijgt uit het bladrozet een holle bloemstengel op, vrij van blad, met aan de top één zonnig-geel stralende (samengestelde) bloem. De knop was al de vorige herfst aangelegd en bleef de hele winter bewaard, iets in de aarde teruggetrokken. 

Het bloemhoofdje bevat uitsluitend lintbloempjes, geel van kleur, aan de onderzijde grijsblauw gestreept. Bij het in bloei komen zetten de lintbloemen zich in het horizontale vlak.

De plant bevat volop nectar voor de bijen. Toch plant ze zich in onze streken zelden voort door kruisbestuiving. De voortplanting geschiedt meestal op ongeslachtelijke wijze, waarbij zaad gevormd wordt uit onbevruchte eicellen (apomixie). De paardenbloem kloont zichzelf op deze manier. 

Na de bloei sluit het bloemhoofdje zich weer in het groene omwindsel en krijgt even terug het uiterlijk van de knop. En dan, op een dag, opent de ‘knop’ zich: de verdorde gele kroonblaadjes worden als een bundeltje afgeworpen en een ragfijne, zijdeachtig witte pluizenbol ontvouwt zich. Het vruchtpluis (pappus) met steeltje (als een parachute) geeft elk nootvruchtje vliegvermogen. Wanneer alles vervlogen is, blijft de bloembodem kaal, wit achter. 

Kenmerkend is ook het witte, sterk bittere melksap dat de hele plant doortrekt, in de lente vooral de jonge bladeren, in de zomer meer de wortel. Het sap kleurt donkerbruin aan de lucht, en veroorzaakt moeilijk te verwijderen vlekken op huid en kleren.

De gehele plant heeft een ‘waterig’, ‘sappig’ uitzicht. Water is hét element van alles wat met leven te maken heeft en deze voorjaarsplant zit boordevol vitaliteit, dat blijkt alleen al uit haar enorme regeneratievermogen (hardnekkig ‘onkruid’). Een frisgroene lenteweide vol paardenbloemen geeft een prachtig beeld van wat aan opbouwkrachten in de natuur werkzaam is. Het hoge gehalte aan kaliumzouten (vooral in het blad) (40% K2O in de as) brengt de antroposofische geneeskunde in verband met die levenskracht.

Niet alleen met het waterige, maar ook met het licht heeft de paardenbloem een bijzondere relatie. Een duidelijke uiting van die hoge lichtgevoeligheid is het direct antwoorden op licht- en schaduw-verhoudingen met een specifieke bladvormvariant. De bladinsnijdingen zijn als een graadmeter te beschouwen voor de samenwerking tussen licht (‘lichtether’) en water (‘chemische ether’) op de groeiplek. Ook de bloemen reageren zeer gevoelig op wisselende lichtomstandigheden: bij zon ontvouwen ze zich, ‘s nachts en bij regenweer sluiten ze zich volledig. 

Deze lichtgevoeligheid is, volgens de antroposofische geneeskunde, verbonden met de ‘kiezelprocessen’ in de plant. Die bemiddelen met de ‘kosmische licht- en vormkrachten’ en met de werking van de planeten Saturnus, Jupiter en Mars. Om deze eigenschap wordt Taraxacum gebruikt in de BD-landbouw, als preparaat in de kompostbereiding. 

Bij analyse van de as vindt men inderdaad aanzienlijke hoeveelheden kiezelzuur (siliciumdioxide) (7%). Het element silicium heeft iets bijzonders met licht. Het wordt gebruikt in zonnepanelen om zonlicht in energie om te zetten en bergkristal, de zuiverste kristalvorm van siliciumdioxide, is volledig doorlaatbaar voor licht, zelfs voor UV-licht.

In de as van Taraxacum is nog een ‘licht-element’ opvallend aanwezig: magnesium, het voor de fotosynthese cruciale element in het bladgroen (chlorofyl). De grote hoeveelheid gele (xanthofyl-)kleurstoffen, verwant aan vitamine A, die gevormd worden in bloem en blad, hoort ook bij deze ‘licht’-karakteristieken. 

Als substanties zijn in het melksap vooral bitterstoffen aanwezig, flavonoïden, talrijke enzymen, een rubberachtige substantie, wassen, inuline en suikers. Inuline is het reservezetmeel van de composietenfamilie. Het bestaat uit een keten van drie tot maximaal honderd fructosemoleculen met aan het eind van de keten één glucosemolecule. In de herfst- en winterperiode wordt inuline hoofdzakelijk opgeslagen in de ondergrondse delen van de composieten, om in de lente weer in suiker over te gaan, die dan in de opschietende plant omhoog stijgt. 

Bij Taraxacum is dit suikerstofwisselingsproces zeer intensief. In de herfst bedraagt het inuline-gehalte in de wortel ongeveer 40% en in de lente slechts 2%. 

Paardenbloem wordt traditioneel als lentekuur gebruikt omwille van de algemeen tonifiërende, diuretische en licht laxerende eigenschappen, ook als bloedzuiverend middel en in afslankingskuren.

Populair zijn de sla-kuren met verse jonge blaadjes. De plant kan op dezelfde manier gebleekt worden als andijvie (en heet dan molsla). De jonge blaadjes kunnen ook gekookt worden als spinazie, alleen of vermengd met spinazie of in de soep.

Taraxacum-preparaten hebben een stevige medische traditie opgebouwd in veel Europese landen, vooral bij verteringsstoornissen, met klachten als een opgezette buik, winderigheid en een trage vertering, bij gebrek aan eetlust en ook bij lichte urinewegklachten, om de diurese te verhogen.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’* dat er voldoende evidence is voor al deze traditionele toepassingen.

De diuretische activiteit van Taraxacum wordt toegeschreven aan het hoge kaliumgehalte en aan bepaalde flavonoïden. Dat de plant water in beweging kan brengen komt in haar Franse naam ‘Pissenlit’, en Vlaamse volksnaam ‘Pissebloem’ onmiskenbaar tot uiting. Bittere bestanddelen (sesquiterpenoïden) worden verantwoordelijk geacht voor het stimuleren van de verteringssappen en van de galstroom.

De toepassingen in de antroposofische geneeskunde liggen in dezelfde lijn. Taraxacum-preparaten worden in het algemeen ingezet om de opbouwende, regenererende processen vanuit de stofwisseling te bevorderen. Het centrale orgaan hierin is de lever, die de gehele opbouwende stofwisseling vanuit de voedselstroom overziet en coördineert. 

*http://www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_HMPC_assessment_report/2011/03/WC500102972.pdf
12 nov. 2009 - Assessment report on Taraxacum officinale Weber ex. Wigg., radix cum herba. 

 

Urtica dioica

Urtica dioica, de grote brandnetel, is een meerjarige plant uit de brandnetelfamilie (Urticaceae). Vanuit de gematigde zones heeft de plant zich over de hele wereld verspreid.

Ze gedijt vrijwel overal, maar heeft een voorkeur voor een goed bemeste bodem zoals bij composthopen of aan de rand van een akker. 

Als nitrofiele plant volgt Urtica de menselijke cultuur en is vaak te vinden op ruderale plekken (milieus, die door menselijke invloed met allerlei mineralen, vooral stikstof, ‘verrijkt’ zijn), zoals langs wegen, op puinhopen, industrieterreinen en braakland. Zelfs lang door mensen verlaten woonplekken zijn aan de brandnetels die er groeien te herkennen. 

Met haar kruipende, sterk vertakte, onuitroeibare wortelstok breidt Urtica dioica zich steeds verder uit en kan al snel gaan overheersen. Vroeg in het voorjaar schieten talrijke harde stengels omhoog, die tot twee meter hoog kunnen worden. Ze zijn vierkantig, onvertakt, met vezels doortrokken (waar onder meer neteldoek van wordt gemaakt) en bezet met lange, holle brandharen en korte stoppelharen. 

De brandharen, die uit één cel bestaan, lopen in de top priemvormig uit. Ze hebben daar een scheef opgezet kopje dat de cel afsluit. Wordt zo'n kopje geraakt, dan breekt het met een scheef breukvlak af, waardoor de inhoud in de huid wordt geïnjecteerd. Reeds een tiende milligram van het stoffenmengsel is voldoende om een brandende, pijnlijke huiduitslag en jeuk te veroorzaken.

Het effect van deze brandende (‘sulfurische’) vloeistof verleende de plant zijn botanische naam ‘Urtica’ van het Latijnse uro, ‘ik brand’, evenals de Nederlandse naam ‘brand-netel’. 

De kleine brandnetel, Urtica urens, prikt trouwens nog heftiger dan de grote; alle op die plant aanwezige haartjes (op stengel, blad en bladsteel) zijn brandharen. Bij de grote brandnetel zitten de brandharen hoofdzakelijk op stengel en bladsteel. De overige beharing is kort en gifvrij. 

De hoofdbestanddelen van het netel-gif zijn: acetylcholine, histamine, serotonine en mierenzuur. Laatstgenoemde stof zou de belangrijkste veroorzaker van de pijn zijn.

Het effect van vers netel-gif op de huid gelijkt op de ‘netel-roos’, die opgewekt wordt door insectensteken en kwallen, of op dat van een te heftige blootstelling van de huid aan zon of warmte. In de antroposofische geneeskunde worden in al die gevallen extracten uit (vooral de kleine) brandnetel ingezet ter verlichting van de klachten.

Het blad van Urtica dioica is groot, stevig, behaard en intens groen van kleur. (Het meeste chlorofyl, of bladgroen, uit de handel wordt verkregen uit brandnetelbladeren.) Hun vorm is eirond tot driehoekig langwerpig, de randen grof gezaagd en de onderkant donzig. De bladeren zijn tegenoverstaand gerangschikt langs de stengel. Het gehele stengel-bladgebied ziet er sterk ritmisch vormgegeven uit.

‘Dioica’ betekent tweehuizig, de grote brandnetel heeft afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke planten. De bloei is van juni tot laat in de herfst. De bloemen, die in vertakte trossen hangen, zijn nietig klein en onopvallend groen tot groenig geel van kleur.

Een verrassend verschijnsel is het plotseling openspringen van de mannelijke bloemen, waarbij het stuifmeel in een wolk omhoog geschoten wordt. De wind zorgt voor de bestuiving. De vrucht is een eivormig dopvruchtje met één zaadje.

In de volksgeneeskunde worden bereidingen uit Urtica dioica onder meer toegepast in versterkende en bloed reinigende kuren, om de bloedvorming en doorbloeding te bevorderen, het bloedsuikergehalte te verlagen en als diureticum. De literatuur vermeldt ook samentrekkende en bloedstelpende eigenschappen.

Als belangrijke inhoudsstoffen worden beschouwd: flavonoïden, polyfenolcarboxylzuren, sterolen, lectines, proanthocyaniden, looistoffen, carotenoïden, vitamine C en chlorofyl. Brandnetels hebben een hoog eiwitgehalte en bevatten veel mineralen, waaronder kalium, calcium, zwavel, mangaan, kiezelzuur en ijzer.

In de antroposofische geneeskunde leest men uit de karakteristieke fenomenen van Urtica dioica voornamelijk een sterke ‘ijzerdynamiek’ af. De plant bevat ook substantieel veel ijzer. Therapeutisch wordt Urtica dioica ingezet om de opbouwende voedingsstroom in het algemeen te bevorderen, bijvoorbeeld in herstelfasen en bij lang aanslepende griepachtige, koortsende ziekten. En meer specifiek bij een anemie, die niet primair door ijzergebrek wordt veroorzaakt, maar eerder door een tekortschietende beheersing van de opname en verwerking van ijzer. 

 

Filices/Salices comp.

Het preparaat Filices/Salices comp., ook Digestodoron genoemd, is een bijzondere bereiding uit de verse bladeren van drie varens- en drie wilgensoorten. Het is ook als eindproduct beschikbaar, onder een vloeibare en droge vorm: Filices/Salices comp. dilutio, en Digestodoron Poeder.

Het preparaat behoort tot de zogenaamde orgaan-specifieke ‘type’-middelen van de antroposofische geneeskunde. Dit zijn echte basismiddelen, bedoeld om het ‘gezonde midden’ van een orgaanfunctie te versterken. Ze bestaan in de regel uit twee of meer bestanddelen (meestal planten), die een duidelijke verwantschap met het betreffende orgaanproces vertonen, maar tevens grote onderlinge verschillen, zodat ze als het ware elkaars tegenpolen zijn (al dan niet met een verbindende component). ‘Als gezonde voorbeeld’ kan een typemiddel in beide richtingen worden ingezet, zowel bij een ‘te veel’, als bij een ‘te weinig’.

Digestodoron, dat letterlijk ‘geschenk (doron) voor de spijsvertering (digestio)’ betekent, is ontwikkeld als kuurmiddel ter ondersteuning van de gezonde maagdarmfunctie.

Het spijsverteringsproces is gezond wanneer er evenwicht heerst in de ritmische afwisseling van aanspannen en verslappen van de musculatuur, van oplossen en indikken, van uitscheiden en resorberen. Raakt deze balans verstoord, dan ontstaan allerlei klachten als maagzuuroprispingen, misselijkheid, winderigheid, verstopping en diarree. 

Bij patiënten met het prikkelbare darmsyndroom bijvoorbeeld is de darmfunctie nu eens te traag, dan weer te actief. Er is een totaal verlies aan ritme, de darmfunctie is volledig ontregeld. Organische afwijkingen kunnen bij deze ziekte niet worden vastgesteld.

In de antroposofische geneeskunde is Digestodoron, of Filices/Salices comp., hét basismiddel bij functionele maagdarmklachten. Het wordt vooral ingezet om de darmfunctie weer in het gezonde midden te brengen, tussen te snel en te traag ledigen. 

Een natuurwetenschappelijke of farmacologische verklaring voor het effect van dit kuurmiddel is tot op heden niet gevonden. Het antroposofische concept steunt, zoals gebruikelijk, op een ‘procesmatig’ kijken,  waarbij ‘analogieën’ tussen plantenprocessen en orgaanfuncties de compositie bepalen en specifieke bereidingsprocessen de werkingsrichting.

In Digestodoron zijn twee plantentypen samengebracht, die in vele opzichten elkaars tegenpolen zijn: varens (Filices) en wilgen (Salices). Waar de wilg bijvoorbeeld een absolute lucht- en lichtboom is, zoeken varens eerder de schaduw van het bos op en groeien laag bij de grond. Wilgen bloeien uitbundig met ‘katjes’ vol stuifmeel. De voortplanting van de varen geschiedt via sporen, verstopt aan de onderkant van zijn bladeren. Evolutionair gezien is de wilg uitgesproken ‘jong’, de varen ‘oeroud’.

Wat beide plantensoorten gemeenschappelijk hebben is een bijzondere relatie met water. Om überhaupt te kunnen overleven hebben varens een zeer vochtige atmosfeer nodig. Ook wilgen zoeken het water op, aan oevers, waar ze afwisselend nat en droog komen te staan. Ze zijn meesters in dit vasthouden en weer loslaten. Waar dit ‘watermanagement’- proces tot een eindpunt komt, in de bast, kristalliseert salicine uit, een stof, die een ontstekingsremmende, ontzwellende en bloedstolling remmende werking blijkt te hebben (proces: vast- vloeibaar).

In Digestodoron zit niet de wilgenbast, maar het blad, niet de ‘stof-‘ maar de ‘proces’-werking. Het blad van drie soorten wilgen wordt verwerkt. Ze verschillen onderling vooral in grootte en aantal zijtakken, het zijn: de schietwilg (Salix alba, ssp. alba), de katwilg (Salix viminalis) en de bindwilg (Salix alba, ssp. vitelina).

De specifieke opgave van de Salix-component in het preparaat is, volgens de antroposofische geneeskunde, om de fysiologische opeenvolging van secretie en resorptie weer in balans te brengen.

Karakteristiek aan varens is het sterk ritmische, wat zich onder meer uit bij het ontrollen van de bladeren en in hun typische bladvormen. In Digestodoron worden drie varens verwerkt met een grote onderlinge bladvariatie, van nauwelijks geleed en met vlakke rand tot sterk verdeeld en getand. Het zijn: de tongvaren (Phyllitis scolopendrium), de mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas, vroeger Aspidium) en de eikvaren (Polypodium vulgare). Elk bladtype verwijst naar een aan de basis ervan liggende eigen ritmische impuls. 

Door drie varen-‘ritmes’ te verwerken wil men de verschillende verteringskanaalritmes stimuleren (maag, dunne en dikke darm) en daardoor het totaalritme harmoniseren. In een afgesloten systeem ondergaan de verse wilgen- en varen-bladeren een bijzonder warmteproces bij 37°C. Bij deze temperatuur worden allerlei gistingsprocessen actief en komt een subtiel ritme tot stand van verdampen en condenseren, uitdijen en weer samentrekken.   

Digestodoron heeft als therapeutisch doel om de basisfuncties van de spijsverteringsorganen te ondersteunen, de secretie en vloeistofresorptie te normaliseren en de gestoorde darmperistaltiek te ‘ritmiseren’. Het middel wordt, in de antroposofische geneeskunde, ook ingezet na een antibioticakuur om de darmfunctie te herstellen. De behandeling moet kuurmatig over circa drie maanden vervolgen en kan na een innamepauze zo nodig worden herhaald.