print

Boekrecensie: 'De beestjes in ons'

Het humane microbioom heeft de kolommen van het medisch wetenschappelijk nieuws veroverd. Toen we nog over microflora of huid- en darmflora spraken was eigenlijk niet erg duidelijk welke rol deze micro-organismen speelden. We kenden ook alleen maar de bacteriën en schimmels die konden worden gekweekt. Sinds men op zoek ging naar de verschillende DNA-sequenties van deze ‘flora’, werd duidelijk dat we er nog geen kwart van kenden. En wat vooral duidelijk werd is dat dit microbioom medebepalend is voor onze fysieke en psychische gezondheid. De Amerikaanse internist en microbioloog Martin Blaser, een van de pioniers op dit gebied, heeft een fascinerend boek geschreven: De beestjes in ons. Het belang van bacteriën. 

Het begon voor Martin Blaser allemaal meer dan twintig jaar geleden met de Helicobacter Pylori. De bacterie die in menige maag bleek te wonen en de oorzaak bleek te zijn van gastritis, maagzweren en zelfs maagkanker. Blaser, wiens vader een maagzweer had, bleek zelf positief te zijn voor Helicobacter. En hoewel hij geen klachten had, nam hij uit voorzorg de gebruikelijke antibiotica. Niet lang daarna kreeg hij last van reflux: brandend maagzuur.

Hij vroeg zich vervolgens af waarom een bacterie, die zo alom tegenwoordig is bij volkeren waar de antibiotica nog niet waren doorgedrongen, zo weinig maagklachten veroorzaakte. Er blijkt enerzijds wel degelijk meer te spelen bij maagzweren dan alleen de Helicobacter, maar anderzijds blijkt deze bacterie te beschermen tegen refluxklachten en daarmee tegen slokdarmklachten. Blaser raakte steeds meer geïnteresseerd in de effecten van de bacteriën die we tot dan toe commensalen hadden genoemd.

Zijn vrouw, een microbiologe, deed onderzoek naar de commensalen van Zuid-Amerikaanse indianen. Het bleek dat deze, en andere volkeren die nog niet zo in aanraking waren gekomen met antibiotica, een veel grotere biodiversiteit vertoonden in hun darmen. Blaser vermoedde een verband tussen ziekten die in de Westerse wereld als ‘welvaartsziekten’ bekend stonden en het verlies aan diversiteit aan microben in onze darmen. Hij kwam erachter dat in de staten van Amerika waar veel antibiotica over de toonbank gingen ook sprake was van meer obesitas, allergieën, astma, prikkelbare darmen en chronische darmontstekingen als colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn. Het bleek dat de microbiota bij lijders aan deze ziekten ook anders en minder gedifferentieerd waren dan bij gezonden.

Hierbij is de volgorde van kip en ei niet meteen duidelijk. Muizenproeven lieten zien dat wanneer steriel gekweekte muizen de darmbacteriën van obese muizen kregen, deze ook dik werden, wanneer ze althans ook veel vet voedsel kregen. Dan werden ze veel dikker dan ‘normale’ muizen op hetzelfde dieet. Wanneer ze kort gehouden werden gebeurde dat niet. Inmiddels wordt ook depressie, chronische vermoeidheid en zelfs autisme met het microbioom in verband gebracht.

Blaser ziet twee oorzaken voor het verschralen van biodiversiteit van het microbioom: antibioticagebruik (vooral ook in de veeteelt, waar het interessant genoeg lang als groeibevorderaar is gebruikt) en de keizerssnede, waardoor de boreling geen bacteriën uit het geboortekanaal kan meenemen. Iedere nieuwe generatie heeft door beide oorzaken telkens weer minder soorten in zijn darmen. Die boodschap is nog steeds niet echt aangekomen. Wat zijn boek overigens nog niet gehaald heeft, is dat inmiddels het verband tussen astma en antibioticagebruik niet kon worden aangetoond.