print

Aesculus / Borago / Hamamelis

Het geneesmiddel Aesculus/Borago/Hamamelis wordt bereid door de oertinctuur van drie planten: Aesculus (cortex Ø), Borago (folium Ø) en Hamamelis (folium Ø),  te verwerken in een zalfbasis van bijenwas, sesamolie, wolvet en –alcoholen.

De zalf wordt in de antroposofische geneeskunde voornamelijk ingezet bij thromboflebitis.

Een beschrijving van de componenten:

Aesculus hippocastanum, de (witte) paardenkastanje, ook wel wilde kastanje genoemd, is een massieve boom met een korte, stevige stam en een brede kroon. Volwassen exemplaren kunnen een hoogte bereiken van dertig meter en een breedte van ruim twintig meter. Ze kunnen wel tweehonderdvijftig jaar oud worden.
Door de overvloed aan grote bladeren ontstaat een dichte koepelvormige kroon, die een opvallend donkere schaduw afwerpt (‘zwartschaduw’).
De boom zelf heeft veel licht nodig om optimaal tot bloei te kunnen komen. Hij groeit het liefst solitair en vermijdt het vormen van bossen.


Met een krachtige, diep reikende hoofdwortel en vele stevige zijwortels verankert de paardenkastanje zich vast in de bodem. Al op geringe hoogte vertakt de stam zich in meerdere sterke, dikke takken, een stabiele basis vormend voor de zware boom. Bij elke groeistap ‘schroeft’ hij zich verder de hoogte in, ritmisch. Dit levert de typisch gedraaide stam op.
Het hout laat zich moeilijk bewerken, het is weinig elastisch en er zit vrijwel altijd een draai in. Het is daarom niet erg geschikt voor timmer- of hekwerk

Fijne vertakkingen ontbreken volledig, de allerdunste twijgen zijn nog vingerdik. De zwaarste takken zijn meestal horizontaal gericht of hangen wat af, de uiteinden en de zijtakken richten zich verticaal omhoog.
De vooreerst gladde bruine schors wordt later donker grijsbruin, ruw en geschubd en schilfert dan in plakken af.

De paardenkastanje behoort tot de Hippocastanaceae, een plantenfamilie die vaak bij de zeepboomfamilie (Sapindaceae) wordt ingedeeld, als onderfamilie.
Oorspronkelijk afkomstig uit Klein-Azië en Zuidoost-Europa, is de wilde kastanje vandaag wijd verspreid over bijna alle gematigde streken van de wereld. Hij gedijt het best in de warmere delen van de noordelijke gematigde zone, op plekken die ook voldoende vochtig zijn.
In onze streken wordt hij algemeen in steden en in parken als sierboom aangeplant.
De naam ‘paardenkastanje’ is een letterlijke vertaling van ‘hippocastanum’, en verwijst waarschijnlijk naar de hoefijzervormige plekken, die op de stam en de takken achterblijven, als de bladeren zijn afgevallen (bladlitteken).

Een ontkiemend boompje valt op door zijn grote groeikracht; het bereikt in één jaar tijd gemakkelijk een halve meter hoogte, mede dankzij de rijke voedselreserve in de kiemende kastanje.
In de winter zijn de grote diepbruine, glanzende knoppen goed zichtbaar aan de kale takken; tegen de lente aan worden ze harsachtig kleverig en zwellen nog aan.

Het uitgroeien en ontvouwen van de bladeren in het voorjaar is een spannend en boeiend gebeuren. Eerst naar beneden gericht, dan zich langzaam oprichtend, naar het licht, verschijnen de welbekende handvormige bladeren. De vijf tot zeven ‘vingers’, waarvan de middelste de grootste is, ontspringen uit één punt en hebben een gezaagde rand.

De grote bladeren zijn week en slap en hebben een mooie ritmische nervatuur. De relatief lange bladstelen daarentegen zijn stijf en stevig.De grote bladeren zijn week en slap en hebben een mooie ritmische nervatuur. De relatief lange bladstelen daarentegen zijn stijf en stevig.

Helemaal feestelijk wordt het in mei, als de boom uitbundig gaat bloeien met grote, witte bloemenpiramiden van wel vijftien tot dertig centimeter hoog. Ze staan als kaarsen rechtop tussen de bladeren, in het volle licht, en kunnen elk over de honderd bloemen bevatten. Ze scheiden overvloedig nectar uit (soms druppelen ze zelfs).
De bloemen hebben in de regel vijf crème-witte kroonblaadjes en opvallend wijd uitstaande stuifmeeldraden. De kleurvlek (honingmerk) op de bovenste bloemblaadjes (om insecten te lokken, vooral hommels en bijen) is de eerste twee dagen geel, en verkleurt dan naar rood, een teken voor de insecten dat de nectartijd voorbij is.

De omvorming van bloem tot vrucht duurt tamelijk lang. De grote, groene, bolronde doosvrucht is aan de buitenkant bezaaid met dikke in alle richtingen wijzende stekels (niet zo stekelig als bij de tamme kastanje). Binnenin de bolster beschermt een zachte ‘watten’-laag de één, soms twee, grote gladde, ronde zaden: de eigenlijke (wilde) kastanjes. Bij rijpheid kleuren ze mooi mahoniebruin met een opvallende grote witte vlek (de kiemplek) en gaan prachtig glanzen. Is de kastanje eenmaal buiten de bolster, dan verdwijnt deze glans al snel.
Wilde kastanjes zijn zeer zetmeelrijk, maar door hun gehalte aan bitterstoffen niet eetbaar, tenminste niet voor mensen. Het wild (ook varkens en geiten) eet ze graag.
Een volwassen boom kan wel 10.000 vruchten dragen, waarbij elke kastanje al snel twintig gram weegt (zonder bolster gerekend). Enkel een stevige en stabiele boom, met sterke, dikke takken, kan zo’n enorm gewicht aan!  

In de totale vorm, de glanzende knoppen, het gebaar van de uitlopende bladeren en takken, het mooie ritmisch gevormde weke bladvlak, de indrukwekkende bloempiramiden, en de zware vruchten met hun glanzende zaden (kastanjes), herkent de antroposofische geneeskunde een krachtige boom die meesterlijk kan omgaan met massieve zwaarte, en die een grote stabiliteit, ritme en plastische vormkracht uitstraalt.

De substanties, aanwezig in de sapstromen en celweefsels van de boom, worden gezien als de stoffelijke afdruk van de verschillende karakteristieke processen, die er in werkzaam zijn.

Naar de periferie toe, in de jonge weefsels, de bast en het hout van jonge twijgen, in de knoppen, frisgroene bladeren en jonge bolsters, scheidt de boom rijkelijk het coumarinederivaat aesculine af. Waterige oplossingen van deze bijzondere stof vertonen blauwe fluorescentie (boven pH 5,8). Het blauw oplichten wordt des te sterker, hoe meer UV-stralen het licht bevat. Aesculine wordt vaak gebruikt in filters om UV-licht te absorberen en als optische witmaker. Ook wordt het verwerkt in zonneproducten om het schadelijke, chemisch werkzame principe in het zonlicht te dempen.

Aesculus hippocastanum ‘omhult’ zich als het ware met een fijne ‘aesculinemantel’.
De kastanjes binnenin de bolsters bevatten geen aesculine. De jonge kiemplant, die uit een op de bodem gevallen kastanje naar het licht toe groeit, begint echter onmiddellijk aesculine aan te maken.

De wortels, de kiemblaadjes, en vooral het zaad (de kastanjes) zijn dan weer bijzonder rijk aan saponinen (schuim- of zeepstoffen) (‘sapo’ betekent zeep in het Latijn). Aescine, in feite een mengsel, waarin dertig verschillende saponinen zijn geïdentificeerd, wordt beschouwd als de belangrijkste en meest karakteristieke. Schudt men water waarin een kleine hoeveelheid saponinen(-bevattend plantenextract) is opgelost, dan vormt zich een dicht schuim. Lucht wordt hierbij innig met water verbonden (onder de vorm van kleine luchtblaasjes met een dun waterhuidje). Deze oppervlaktespanningverlagende stoffen kunnen vetachtige substanties, zoals lecithine, aanwezig in celmembranen, oplossen, waardoor de uitwisseling tussen de cel en de omgeving toeneemt, vooral de opname van voedingsstoffen en afvoer van toxische stoffen. Hierdoor hebben ze een zuiverende werking.
Toepassingen van saponinen via de huid of het verteringskanaal zijn in de meeste gevallen veilig. Direct geïnjecteerd in de bloedbaan zijn ze echter gevaarlijk, omdat ze een hemolyse kunnen uitlokken door de lecithine in de membraan van rode bloedcellen op te lossen, waardoor de rode bloedcel uiteenvalt.
Saponinenbevattende kruiden worden vaak als hoestmiddel gebruikt, omwille van hun expectorerende werking. Ze kunnen helpen om de gezonde verhouding tussen lucht en vloeistof te herstellen in door verkoudheid gezwollen en verslijmde ademwegen. De saponinenrijke wilde kastanjes worden echter vooral bij paarden met hoest ingezet (niet bij mensen vanwege de smaak).

Van Aesculus hippocastanum worden voornamelijk de bast (cortex)) en het zaad (kastanjes) (semen) verwerkt tot medicinale preparaten. De hoofdindicatie voor beide is veneuze circulatieproblemen.
In preparaten uit de bast (Aesculus, cortex) wordt aesculine (coumarine) beschouwd als de belangrijkste inhoudsstof.
Coumarinederivaten hebben een remmende werking op de bloedstolling en worden daarom (in de reguliere geneeskunde) veelvuldig ingezet ter preventie of ter behandeling van stolsels of trombi.
Ook de verschillende looistoffen met hun samentrekkende (adstringerende) werking en de flavonoïden met ontstekingsremmende eigenschappen, dragen bij aan de werking van Aesculus, cortex-preparaten.
Het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’*, dat er voldoende evidence is voor het inzetten van Aesculus, cortex, als ‘traditional used medicine’ bij veneuze circulatieproblemen, ter verlichting van symptomen en ongemak en zwaar gevoel van de benen (spataders) en ter verlichting van jeuk en brandend gevoel bij aambeien.

Bij preparaten uit de kastanjes (Aesculus, semen) is het werkingsmechanisme bij chronische veneuze insufficiëntie nog niet helemaal opgehelderd, maar de gunstige invloed op de veneuze tonus en capillaire filtratie-rate is duidelijk aangetoond. Men neemt aan dat het saponinenmengsel aescine hierbij de belangrijkste bijdrage levert, naast eveneens looistoffen en flavonoïden. Andere inhoudsstoffen zijn onder meer sterolen, etherische olie en een grote hoeveelheid zetmeel (30-60%). Coumarinederivaten zijn niet aanwezig in de zaden of bolsters.
In een ‘community herbal monograph’** keurde het EMA Aesculus, semen-preparaten goed als ‘Well-established used medicine’ bij chronische veneuze insufficiëntie (bijvoorbeeld Reparil) en als ‘Traditional used medicine’ ter verlichting van de symptomen bij zware benen door veneuze circulatieproblemen en van kneuzingen, lokale oedemen en haematomen.

In de antroposofische geneeskunde worden preparaten uit Aesculus hippocastanum, vooral van de bast (cortex) en de kastanjes (semen), overal daar ingezet, waar er verlies aan vorm optreedt, zoals bij oedemen, spataders en aambeien.
Kastanjebaden worden toegepast om de huiddoorbloeding te verbeteren en de uitscheiding via de huid te bevorderen en om een algemeen verfrissend, revitaliserend effect.

Tot slot dient nog vermeld dat vele wilde kastanjebomen het tegenwoordig moeilijk hebben om te overleven. Aesculus hippocastanum is een sterk ritme-gevoelige boom en een van de eerste die in het voorjaar hun bladeren ontplooien. Door de klimaatverandering wijzigt echter stilaan het ritme van het jaar en ook de lichtkwaliteit verschuift. Het voorjaar wordt steeds korter en de zomer komt steeds vroeger. Hierdoor gaat de boom al maar vroeger bloeien en wordt de rijpingsfase van de kastanjes relatief langer. Dit alles leidt ertoe dat deze gevoelige bomen verzwakken en zich ook niet goed meer kunnen weren tegen aantastingen, vooral van de mineermot.

* Final assessment report on Aesculus hippocastanum L., cortex  
www.ema.europa.eu/...assessment_report/.../WC500129247.pdf

** community herbal monograph on aesculus hippocastanum l., semen  
www.ema.europa.eu/...monograph/.../WC500059105.pdf

Hamamelis
Hamamelis virginiana, de Amerikaanse toverhazelaar, behoort tot de familie van de Hamamelidaceae. Van nature komt de struik voor in het noordoosten van de Verenigde Staten, in loofbossen en gemengde bossen, als onderhout en op open plekken.
Begin achttiende eeuw werd de plant in Europa ingevoerd. Sindsdien wordt hij er vooral als sierplant gekweekt (naast andere Hamamelis-soorten, vooral de Japanse en Chinese toverhazelaar en kruisingen ervan).
Hamamelis-gewassen vertonen een opmerkelijk anti-ritme in het jaarverloop, vergelijkbaar met de maretak, maar bij hen ontbreekt elke vorm van parasitisme.

De Amerikaanse toverhazelaar kan zes, soms wel tien meter hoog worden. Een krachtig, diep reikend wortelstelsel wordt er echter niet gevormd; de struik kan zelfs op latere leeftijd nog gemakkelijk verplant worden.
Door de vele takken, die al direct boven de grond beginnen, en de zeer talrijke fijne zijtakjes ontstaat een breed bossig geheel.

De vele glanzend lichtgroene bladeren zijn ovaal van vorm, met zwak getande of gelobde bladrand en wat asymmetrisch. Op het eerste zicht lijken ze sterk op het blad van de hazelaar (Corylus avellana), maar, anders dan de naam doet vermoeden, behoren de toverhazelaar en de gewone hazelaar tot totaal verschillende plantenfamilies.

In de herfst verkleuren de bladeren prachtig geel, (bij andere Hamamelissoorten ook krachtig rood) en vallen af.

Dan pas, wanneer het leven zich in de winterknoppen terugtrekt, breken uit het al dood lijkende hout grote aantallen kleine lichtgele bloemen en ontrollen hun vier smalle bladslippen, een zachte aangename geur verspreidend. In clusters bijeen omgeven ze de takken als vreemde kleine sterren, streng naar het getal vier opgebouwd.
Vanaf de herfst tot diep in de winter duurt de bloei; nog in januari, februari zijn er gele bloeiresten te zien, door de vorst verstard of met sneeuw bedekt.

Pas aan het eind van de daarop volgende zomer of begin van de herfst, bijna een jaar na de bestuiving, is de vrucht rijp. Bij droog weer barst de bovenkant van de houtige capsule open, waarna twee glimmend zwarte zaden tot tien meter ver weggeschoten worden.

Bij Hamamelis is de bloei-impuls dus duidelijk verschoven. Gedurende de warme zomertijd, wanneer de ‘normale’ planten in kleuren, geuren en vruchten naar buiten uitstromen, houdt de toverhazelaar alles binnen; en wanneer de natuur zich in winterrust naar binnen keert, opent deze ´eigenzinnige´ plant zich bloeiend naar buiten toe, in een wat ‘gekoeld’ bloemproces.

De antroposofische geneeskunde ziet een directe relatie tussen het opvallende, eigen jaarritme van de plant en het intensieve looistofproces, dat er in plaatsvindt. Bladeren en bast bevatten grote hoeveelheden looistoffen (tannines), met als meest karakteristieke: het hamamelitannine (de hoogste concentratie in de bast (cortex)).
Looistoffen hebben een samentrekkend en uitdrogend effect op huidweefsels en doen eiwitten neerslaan. Dit verklaart hun gebruik bij het looien van dierenhuiden, maar ook het therapeutisch gebruik op wonden en gekwetste weefsels. Door de inwerking van de looistoffen coaguleren eiwitten aan de celoppervlakken, waardoor een beschermlaag wordt gevormd en de doorlaatbaarheid afneemt en het eventuele ontstekingsvocht uitdroogt. Deze beschermlaag blijkt ook antimicrobiële eigenschappen te hebben. Looistoffen werken bloedstelpend. Op de oppervlakkige bloedvaatjes hebben ze een duidelijk vaatvernauwend effect.

Met andere woorden: het looistofproces dempt af wat dreigt te gaan woekeren en helpt vorm en structuur te herstellen.

Ook het feit dat Hamamelis, niettegenstaande de weelderige volheid aan takken en gebladerte, niet uitgroeit tot een warrige struik, maar strenge beheersing uitstraalt, en de stevigheid van de niet snel verwelkende bladeren, worden door de antroposofische geneeskunde als een soort signatuur beschouwd voor de eigenschappen, die Hamamelis als geneesmiddel ontplooit, strak doorvormend en verstevigend.

De hele lente en zomer ‘zuigen’ de bladeren krachtig het licht en de warmte van de zon in zich op, terwijl de bloei-impuls wordt teruggehouden, zodat de gehele struik, tot in de bast, zacht ‘dooraromatiseert’. De aromatische vluchtige fractie, die uit bast en bladeren, als essence of destillaat kan gewonnen worden, heeft een fijn bloem- en vruchtkarakter, maar ook iets geconsolideerd, wrang samengetrokken in zich, de typische Hamamelisgeur. De smaak van Hamamelispreparaten is bitter-aromatisch, samentrekkend.

Bereidingen uit Hamamelis bevatten naast looistoffen en vluchtige bestanddelen ook veel flavonoïden, en organische zuren. De samenstelling is verschillend al naargelang het plantendeel. Zo bevat de bast een hoger looistofaandeel, maar minder flavonoïden en vluchtige bestanddelen dan de bladeren. Flavonoïden zijn pigmentstoffen (kleurstoffen), stikstofvrije organische verbindingen, meestal met bittere smaak, die een belangrijke rol spelen in de stofwisseling van de plant, voornamelijk als groeiregulatoren en bij de bescherming tegen ultraviolet licht, oxidatie en hitte. In het menselijk lichaam zijn ze essentieel voor de stofwisseling van vitamine C en in het handhaven van de integriteit van de capillairwanden. Ze kunnen ook een krachtige antioxidantwerking uitoefenen.

In Noord-Amerika hebben toverhazelaarpreparaten een lange historie van traditional use. De indianen gebruikten, onder meer onder de vorm van kompressen, waterige extracten uit de bladeren en de bast bij aambeien, wonden, insectenbeten, pijnlijke gezwellen en zweren. In de officiële farmacopees en handboeken staan therapeutische gebruiken opgesomd als samentrekkend, bloedstelpend en ontstekingsremmend middel bij de behandeling van lichte huidverwondingen, lokale ontstekingen van huid en slijmvliezen, bij kneuzingen en lokale ontstoken zwellingen, om veneuze stoornissen te behandelen zoals aambeien, spataderen, flebitis, geassocieerd met te weinig veneuze tonus of stagnatie, bij menorragie en metrorragie, bij diarree en als bescherming tegen oxidatieve stress en ultraviolet straling.
Destillaten van vers geoogste bloeiende takken, extracten van de gedroogde bladeren en gedroogde bast worden vooral toegepast onder de vorm van druppelvloeistoffen, zalven of zetpillen.

Het EMA concludeerde in een ‘assessment report’*, dat er voldoende evidence is voor het inzetten van Hamamelis (cortex, folium en/of destillaat uit de bebladerde takken) als ‘traditional used medicine’ bij lichte ontstekingen en droogte van de huid (cutane toepassing), voor de symptomatische verlichting van jeuk en brandend gevoel, geassocieerd met aambeien (anorectale toepassing), bij lichte ontstekingen van het mondslijmvlies (oromucosaal gebruik, als mondwassing of gorgelmiddel) en voor de tijdelijke verlichting van het ongemak ten gevolge van droogte van de ogen of de blootstelling aan wind en zon (oogdruppels).

In de antroposofische geneeskunde worden Hamamelispreparaten uit de bast (cortex) en de bladeren (folium), als orale druppelvloeistof (lage verdunning), zetpillen, zalf of uitwendige vloeistof, voornamelijk ingezet bij (doorschietende) bloedingen, zoals myoombloedingen, atone genitale bloedingen, te hevige of te lange menstruatiebloedingen, bij hemorroïden, spataderen, flebitis, bij verbrandingen, ulcus cruris en bij nattend eczeem.
Wordt een mildere, niet adstringerende werking gewenst, dan wordt het destillaat uit de bloeiende takken ingezet, dat geen looistofcomponenten bevat.

Hamamelis virginiana wordt ook veel gebruikt in cosmetische producten ter versteviging van de huid en ter bevordering van de huiddoorbloeding.


*ASSESSMENT REPORT ON HAMAMELIS VIRGINIANA L., CORTEX ...  
www.ema.europa.eu/...assessment_report/.../WC500089242.pdf

Borago officinalis, of bernagie, is een gemakkelijk herkenbare eenjarige plant met prachtige blauwe bloemetjes uit de Ruwbladigenfamilie (Boraginaceae). Alle bovengrondse delen, stengels, bladeren (zowel boven- als onderzijde) en bloemknoppen, zijn bedekt met een ruwe ‘vacht’ van stugge kiezelhoudende haren, die in het zonlicht glinsterend oplichten.

Inheems is de plant in het Middellandse Zeegebied, maar hij wordt ook vaak (elders) gekweekt omwille van de bijzondere olie in het zaad, en in tuinen aangeplant als keukenkruid (‘komkommerkruid’) en als decoratieve bijenplant. Borago zaait zich gemakkelijk uit en verwildert nog al eens (als ´onkruid´). Zonnige en vochtige, humusrijke plekken hebben de voorkeur, zoals akkers, composthopen, vuilstorten, langs wegen en andere ruderale terreinen.

In voedzame, kalkrijke grond kan de eenjarige plant uitgroeien tot een forse struik van tachtig cm hoog. Met een diep reikende penwortel verankert hij zich stevig in de aarde.

Eerst vormt de plant een weelderig bodemrozet van grote, gesteelde bladeren. Ze zijn nagenoeg eirond, sterk behaard, ruw en rimpelig, en hebben een gegolfde bladrand.

Dan schiet een dikke, stijve, behaarde stengel omhoog. De stengelbladeren zijn kleiner, langwerpiger en omvatten aan de basis de stengel (gevleugeld).

Borago is een echte zomerbloeier (juni tot augustus). De bloeiwijze is een ingerolde gecompliceerde vorm, een schicht, die zich als een varenblad ontrolt, waarbij bloem na bloem ontluikt.
In een schicht staan de bloemen in twee rijen naast elkaar geschikt, afwisselend naar rechts- en linksboven gekeerd. Bij het ontrollen nemen de bloeiende bloemen de meest in het oog springende plaats in.

Als kleine vijfpuntige sterren zitten de sierlijke bloemen op hun dikke omgebogen steeltjes en knikken wat omlaag. Ze hebben vijf lancetvormige groene kelkbladen en vijf eironde, aan de top toegespitste, hemelsblauwe kroonbladen en in het midden een wit hartje (een dubbele ring van witte keelschubben). Hieruit steken de paarszwarte meeldraden, tot een kegeltje samen gedrukt, als een snaveltje naar buiten, samen met de stamper.

Vanwege de overvloed aan nectar geldt bernagie als een van de beste bijenplanten. Om bij die nectar te komen, moeten de bijen en hommels zich aan de voorover hangende bloem vasthaken, twee meeldraden van elkaar halen en diep reiken. Hierbij komt ook stuifmeel, dat tussen de opengesprongen helmknoppen (bovenstuk van de meeldraden) ligt, op hun lijf terecht.

Nadat de kort levende bloem is afgevallen, ontwikkelt zich uit het vruchtbeginsel een groene splitvrucht, die in vier op zaden lijkende dopvruchtjes uiteenvalt. Bij rijping kleuren de vruchtjes zwartbruin. Ze bevatten een wit ‘mierenbroodje’, een zeer voedselrijk uitstulpsel, waar mieren dol op zijn. Ze verslepen de vruchtjes dan ook op hun banen, en verspreiden zo de plant.

Uit analyse blijkt dat de plant onder meer een hoog gehalte aan slijmstoffen bevat, suikers en organische zuren, looistoffen, (oplosbaar) kiezelzuur en vitamine C, saponinen, zink, magnesium en kaliumnitraat (in de groene plantendelen).

De geneeskrachtige eigenschappen van Borago berusten, volgens de antroposofische geneeskunde, voornamelijk op de bijzondere samenwerking van slijm- en kiezelprocessen.
Kiezelzuur (kwarts, siliciumdioxide) heeft twee kanten: wanneer het rijkelijk water in zich opneemt, wordt het een plastische, slijmige, colloïdale substantie, tussen vast en vloeibaar in, die zich volledig kan voegen naar de meest verschillende vormen. Aan de andere kant streeft het steeds, zich weer van het water bevrijdend, naar de vaste kristallijne vorm, die het als bergkristal aanneemt.
Het kiezelzuurproces in de sappen van de Borago-plant, samen met de gevormde slijmstoffen, maakt de taaie, ongedeelde bladeren sappig-plastisch, golvend. Aan de periferie, in de ontelbare, stugge, oplichtende haren, straalt het kiezelige dan weer naar buiten, zijn kristallijne, minerale natuur verradend.
In het bloemgebied ontwikkelt zich een rijkelijk nectarproces. De raten, die een bijenvolk bouwt voor de tot honing omgezette nectar, hebben hun wonderlijk fijn uitgewerkte zeshoekige structuur gemeen met de hexagonale kristallisatievorm van het kiezelzuur (kwarts).

Het zaad zit boordevol proteïnen en bevat een grote hoeveelheid vette olie, rijk aan onverzadigde vetzuren. Als een van de voornaamste natuurlijke bronnen van gamma-linoleenzuur (GLA) heeft Borago-olie een grote vlucht genomen in de voedingssupplementenindustrie. In het menselijk organisme wordt gamma-linoleenzuur gevormd uit linolzuur (met behulp van co-enzym A en delta-6-desaturase) en wordt verder omgezet in de prostaglandines 1 en 3. Dit zijn op lokaal niveau werkzame hormoonachtige stoffen met onder meer een vaatverwijdende, en bloeddrukverlagende werking, ze remmen ontstekingsreacties en gaan trombosevorming tegen. Sommige mensen kunnen onvoldoende linolzuur omzetten en zijn aangewezen op aanvoer van gammalinoleenzuur van buitenaf, zoals via Borago-olie (of teunisbloemolie).

Door de eeuwen heen is Borago officinalis als medicinale plant gebruikt. De soortaanduiding ‘officinalis’ verwijst hier naar. Bij de oude Grieken stond de plant onder meer bekend om zijn opbeurende werking, bij mentale uitputting en depressie.
Verdere traditionele toepassingen zijn: als verzachtend, weekmakend, slijmhoudend middel, bij hoest, bronchitis en verkoudheid (emolliens, mucilaginosum), bij reuma, als middel om de diurese en het zweten te bevorderen (de zwak diuretische eigenschappen zouden te danken zijn aan het kaliumnitraat).
In de fytotherapie wordt de olie uit het zaad zowel in- als uitwendig gebruikt tegen huidveroudering, extreem droge huid, zwangerschapsstriemen, eczeem en premenstrueel syndroom.

De aangenaam naar komkommer smakende groene delen van de (jonge) plant kunnen vers toegevoegd worden aan salades of tot een spinazieachtige groente gekookt worden, waarbij ze de vertering stimuleren. Komkommerkruid is het hoofdbestanddeel van de ‘Frankfurter groene saus’.
Een delicatesse zijn de mooie blauwe bloempjes van de bernagie. Ze fleuren elke salade op en geven er een frisse smaak aan. Vroeger werden ze vaak gebruikt om azijn blauw te kleuren.

De bernagie bevat kleine hoeveelheden pyrrolizidine-alkaloïden (met name lycopsamine en supindine viridifloraat). Deze stoffen kunnen in hogere concentraties kanker veroorzaken en toxisch zijn voor de lever. Vanwege de lage concentraties van deze alkaloïden in bernagie is de consumptie niet gevaarlijk.
Bij de bereiding van Borago-olie als voedingssupplement worden in een raffinageproces de (weinige) pyrrolizidine-alkaloïden verwijderd.

Alhoewel deze plant dus ook alkaloïden (pyrrolizidine-alkaloïden) vormt, is het in wezen geen echte gifplant.
De plant overwint, volgens de antroposofische geneeskunde, deze giftendens door zijn sterke ‘vegetatieve krachten’, onder meer zichtbaar in de vitale, weelderige bladgroei en door zijn ‘lichtverbondenheid’, onder meer zichtbaar in de oplichtende kiezelrijke haartjes en de beheerste stralende vorm van zijn bloemen.

Borago heeft, volgens de antroposofische geneeskunde, een bijzondere relatie tot de veneuze bloedsomloop en de leverfunctie. (Ook de pyrrolizidine-alkaloïden in de plant wijzen door hun, in hoge doseringen, hepatotoxische werking op die leverrelatie.)

Preparaten uit Borago oficinalis worden onder meer ingezet bij slijmvliesontstekingen, bij veneuze insufficiëntie, aderontstekingen met neiging tot trombose, tromboflebitis, bij bloedstuwingen in de overgang, bij lymfestuwingen en eczeem.
Ook onder de vorm van oogdruppels bij netvliesvenentrombose.