print

Phosphorus D25 / Sulfur D25 aa

Het geneesmiddel Phosphorus D25/Sulfur D25 aa  wordt in de antroposofische geneeskunde voornamelijk ingezet bij slapeloosheid (vooral bij inslaapproblemen als ‘anti-pieker druppels’). Het wordt meestal voor de nacht toegediend (20 druppels) in combinatie met Phosphorus in lage verdunning (D6) ’s ochtends.


Een beschrijving van de componenten:

Fosfor werd in 1669 ontdekt door de Duitse alchemist Brand, toen hij urine onderzocht. In een poging de zouten in te dampen, viel het hem op dat er een wittige stof achterbleef, die oplichtte in het donker en zeer brandbaar was. De stof kreeg de naam fosfor naar het Griekse phosphoros, dat (net als het Latijnse woord ‘lucifer’) ‘lichtdrager’ betekent.

Fosfor komt in de natuur niet vrij voor, in gebonden toestand, in de vorm van fosfaten, veelvuldig, echter zelden in voldoende geconcentreerde hoeveelheden voor een lonende ontginning. Fosfaat-houdende ertsen (zoals Apatiet en Vivianiet) zijn dan ook gezochte materialen, voornamelijk voor de verwerking tot superfosfaat, dat als kunstmest wordt gebruikt in de landbouw.

In fijne verdeling is fosfor overal aanwezig in de aardkorst. Uit de planten, die aanzienlijke hoeveelheden fosfor in hun as bevatten, komt de substantie in de humusbodemlaag terecht. Waar laag op laag plantenvegetaties afsterven, zoals in hoogvenen en moerassen, kunnen ‘dwaallichten’ waargenomen worden, een fenomeen volgens wetenschappers opgewekt door vrij komende fosforwaterstof PH3.

Bij het verhitten van fosfaat-houdende ertsen komt fosfor-damp vrij, onder de vorm van tetraëdrische P4 moleculen. Dit gas condenseert bij kamertemperatuur tot een witte wasachtige, naar knoflook ruikende massa: ‘witte fosfor’. De P4-tetraëders zijn dan nog intact, wat de stof een hoge ‘spanning’ verleent en een grote reactiviteit. Witte fosfor (evenals de iets minder zuivere ‘gele’) is erg giftig (de LD50 waarde ligt voor de mens rond 50 mg/kg lichaamsgewicht).

De stof licht in het donker groenig op en kan aan de lucht spontaan ontbranden; daarom moet hij onder water bewaard worden. De vurige (‘sulfurische’) substantie is in water niet oplosbaar, wel in organische oplosmiddelen, in etherische en warme plantenoliën en in zwavelkoolstof (CS2). Brandende fosfor kan niet met water worden gedoofd.
Fosfor laat zich gemakkelijk smelten, destilleren en verdampen en kan in vloeibare toestand sterk onderkoeld worden, zonder vast te worden. Een afweren van de vaste (‘aardse’) toestand is hieruit af te lezen en een verwantschap aan waterstof, de lichtste stof op aarde, die zich ver in de kosmos uitstrekt. Fosfor verbindt er zich gemakkelijk mee tot fosforwaterstoffen.

Met wit licht en onder grote rookontwikkeling, brandt fosfor; als as blijft een sterk lichtbrekend wit poeder achter (het fosforpentoxide  P4O10), dat in water oplost tot fosforzuur.
Door de inlijving van zuurstof krijgt fosfor wel een sterkere affiniteit tot het vaste, het gevormde, wat vooral in de zouten, de fosfaten, zichtbaar wordt.
 Er bestaan van fosfor twee energie-armere modificaties: de rode en zwarte. Rode fosfor is veel minder reactief, ontbrandt niet meer spontaan aan de lucht en is nauwelijks giftig. Dit geldt ook voor zwarte fosfor, die zelfs glans en geleidbaarheid, zoals een metaal, vertoont: grootste verdichting en stabiliteit.
Alleen de witte of gele fosfor wordt gebruikt in de homeopathie en antroposofische geneeskunde, in gepaste verdunning.

Voor het menselijke lichaam is fosfor een essentieel element (ongeveer 1,1%), dat overal, in elke cel, aanwezig is, in meer of minder gebonden vorm.
Een hoogactieve vorm, belangrijk voor opslag en transport van energie, is het adenosinetrifosfaat (ATP), waarvan de fosfor als fosfaat gemakkelijk afgegeven (ADP, AMP) en ook weer opgenomen kan worden.
De overeenkomstige fosforyleringsprocessen beheersen praktisch de gehele stofwisseling, in het bijzonder de koolhydraatstofwisseling.
Verder zijn fosfaatgroepen essentiële bouwstenen van de DNA- en RNA-moleculen. In de fosfolipiden-vorm is fosfor betrokken bij de bouw, functie en bescherming van onze celmembranen in het algemeen en onze zenuw- en hersencellen in het bijzonder. Het functionele, aanvurende element blijft weliswaar de menselijke wil, maar fosfor is de drager, waarlangs de impulsen verlopen.

Tot wel 90% van het totaal aan lichaamsfosfor zit, als calciumfosfaat, ingebouwd in het skelet.
In het menselijk organisme beweegt de fosfor-substantie tussen hoogste activiteit (als een aanvurende vonk/prikkel) en volledige verstarring (‘gekluisterd’ in de botten).

In de antroposofische geneeskunde wordt Phosphorus, in gepaste verdunning, ingezet wanneer fosfor-processen in het organisme te sterk, te zwak of te eenzijdig verlopen.
Lage homeopathische verdunningen worden toegepast om de patiënt aan te sporen zich beter met zijn lichaam te verbinden ( te ‘incarneren’), vooral in het stofwisselingsgebied, en hogere verdunningen om het loslaten (‘excarneren’) te ondersteunen, vooral in het zenuw-zintuiggebied.
Zo wordt bij slapeloosheid: ’s ochtends: Phosphorus D5-D6, ’s avonds: Phosphorus D25-D30 voorgeschreven.
Bij luchtweginfecties  zet de antroposofische geneeskunde de licht- en warmtekrachten van fosfor in om de bovenmaatse vloeistofprocessen weer in een gezonde vorm te brengen.

Bij kleine kinderen en gevoelige personen kan fosfor in lage verdunning onschuldige maar onaangename hartkloppingen en onrust veroorzaken.

Zwavel komt op aarde in grote hoeveelheden voor als sulfide of sulfaat, gebonden in mineralen als pyriet, gips, galeniet, bariet en dus ook cinnabariet. In vulkanische gebieden wordt het in kleine hoeveelheden in zijn elementaire vorm aangetroffen.
In alle levende wezens komt zwavel voor omdat de aminozuren methionine en cysteïne zwavelverbindingen bevatten. Dit betekent dat de meeste eiwitten (en levende organismen in het algemeen) zonder zwavel niet kunnen bestaan.
Aangezien aardolie ontstaan is uit organismen, is het voorkomen van niet-elementaire zwavel daarin niet vreemd.

Chemisch is zwavel wel de actiefste van alle stoffen in het maken van verbindingen.
Hij is bovendien zeer gemakkelijk in een colloïdale toestand te brengen. Daarbij ontstaan, bij toenemende deeltjesgrootte, vloeistoffen met lichtgele, roodachtige, purpere tot blauwe kleur, die blauw tot groenig reflecteren.

Met warmte heeft zwavel een sterke relatie. Hij brandt gemakkelijk, waarbij het stekende zwaveldioxide-gas (SO2) ontstaat, en verbindt zich graag met de ‘drager van warmte’, waterstof, tot zwavelwaterstof (H2S). Dit gas met de onaangename geur van rotte eieren is karakteristiek voor verrottend organisch materiaal.
In zekere zin kan zwavel beschouwd worden als ‘samengebalde energie’, die plotseling, aan een overschot aan energie, kan ‘exploderen als een vulkaan’. Zo komt hij vaker daar voor, waar ordening in chaos dreigt over te gaan (ook bij ontstekingen gaat ordening in chaos over).

Bijzonder opvallend is zijn sterke omzettingskracht, zichtbaar in de vele modificaties, waarin hij kan optreden en in het relatief gering temperatuursinterval, waarin deze in elkaar kunnen overgaan.
Bij kamertemperatuur is zwavel geel, reukloos, smaakloos, vast, bros en kristallijn.
Bij verwarmen gaat hij al vlug (bij 119°C) over in een lichtgele beweeglijke vloeistof, die vervolgens donkerroodbruin kleurt en taai-vloeibaar wordt.

De viscositeit bereikt een maximum bij 200°C en neemt dan weer af tot dun-vloeibaar, waarna de donkere vloeistof onder de vorming van roodbruine dampen tot koken komt (bij 444,6°C).
Wordt dik-viskeuze zwavel plots afgekoeld, dan bekomt men een plastische, kneedbare massa, elastisch als rubber.
Zwavel speelt een belangrijke rol in stofwisselingsprocessen. Het is bekend dat verhoogde zwaveltoevoer in het organisme (bijvoorbeeld via zwavelbaden) de stofwisseling bevordert, en aan de andere kant slaapwekkend, bewustzijn verlagend werkt.

Voor de werkings- en invloedgebieden van zwavel (Sulfur) in het organisme maakt de antroposofische geneeskunde onderscheid tussen enerzijds een fysiologisch-substantiële inwerking en anderzijds een procesmatig-dynamische.
Bij het eerste horen de ‘verbrandingsprocessen’ in de stofwisseling, waarbij geordende organische substantie ingrijpend afgebroken en in de chaos-toestand wordt overgebracht en de hierbij vrij komende energie het gehele organisme ‘doorgloeit’.
In het tweede geval is het Sulfur-proces in de tegenovergestelde richting actief bij de vorming van geïndividualiseerd levend eiwit uit de bouwstenen van de in chaos gebrachte substantie.

Beide Sulfur-werkingen kunnen verstoord raken, waarbij ziektetoestanden ontstaan.
Zo kan bijvoorbeeld de doorwarming vanuit de stofwisseling tot in de periferie niet toereikend zijn, met als gevolg aanhoudend koude extremiteiten, of juist te sterk werken, met koorts, ontstekingen en eczemen als gevolg.
Verstoringen van het tweede proces kunnen dan weer aanleiding geven tot sedimentvorming, uitdroging, brandend gevoel en jeuk.

De antroposofische geneeskunde zet Sulfur in lage verdunning voornamelijk in om een te trage stofwisseling aan te vuren. Hoge verdunningen van zwavel (en fosfor) worden als slaap bevorderende middelen ingezet om het loslaten (‘van de hogere wezensdelen uit de lagere wezensdelen’) te ondersteunen.