print

Avena Valeriana

Het geneesmiddel Avena Valeriana (Avena sativa comp.) bevat vijf bestanddelen: Avena sativa (herba) Ø, Humulus lupulus (strobulus) Ø, Passiflora incarnata (herba) Ø, Valeriana officinalis (radix, decoctum)  Ø en Coffea tosta (semen, decoctum) D60.

Het middel wordt in de antroposofische geneeskunde voornamelijk ingezet bij slapeloosheid (vooral bij inslaapproblemen), nervositeit en onrust.


Een beschrijving van de componenten:

Avena sativa is een graansoort, die in het Midden-Oosten door veredeling is ontstaan uit één of meerdere wilde haversoorten, waaronder in ieder geval de Oot (Avena fatua). Havervondsten uit het bronzen tijdperk tonen aan dat het graan toen al bekend was.

Vanaf de tweede eeuw verovert Avena sativa geleidelijk Europa. Omwille van de hoge voedingswaarde en het versterkend effect genoot het graan al snel een uitstekende reputatie. Vooral in Noord-Europa werd het een basisvoedingsmiddel (tot rond 1600 de aardappel zijn intrede doet).
Ook was haver lange tijd het belangrijkste graan voor de bierbrouwerij, voordat het werd verdrongen door brouwgerst.
Dat een kalmerend drankje te bekomen is door onrijpe haver op alcohol te zetten, was al in de middeleeuwen bekend.

Haver is één van de meest waardevolle graansoorten in Europa. De graankorrels hebben een hoog eiwitgehalte en bevatten ook vele vitaminen (vooral vitamine B) en mineralen.
Het meel ervan laat zich echter niet tot brooddeeg verwerken, omdat het een te gering kleefaandeel bevat. Daarom wordt het graan vooral verwerkt tot havervlokken, havergrutten of havermelk.
Het overgrote deel van de tegenwoordig geproduceerde haver dient echter vooral als voer voor paarden, runderen en kippen.

De wetenschappelijke naam Avena zou afgeleid zijn van het sanskriet ‘avasa’, wat voeding betekent. De toevoeging sativa, ‘gekweekt’ in het Latijn, geeft aan dat het om een zuivere cultuurvorm gaat. De Nederlandse naam ‘haver’ stamt af van het oud Noorse ‘hafr’ voor ‘bokkenvoedsel’. De Engelse naam ‘Oat’ gelijkt op ‘Oot’, de oorspronkelijke wilde haversoort.

De haverplant is éénjarig en behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). Deze plantenfamilie is goed herkenbaar aan haar karakteristieke bouwplan. Hun stengel is opgebouwd uit opeenvolgende knopen en gaat lijnrecht omhoog. De bladeren zijn smal en omvatten deels de stengel. De onopvallende bloempjes zitten gegroepeerd tot een aar of pluim en bevatten geen bloemblaadjes (kelk noch kroon) en ook geen nectar, wat hen niet aantrekkelijk maakt voor insecten. Ze staan echter volledig open voor de wind en produceren veel stuifmeel, dat in wolken wordt meegevoerd.
Het zijn in de eerste plaats planten van ‘licht’ en ‘lucht’.

Door middel van een sterk ontwikkeld wortelstelsel (met uitlopers) verbinden deze planten zich ook stevig met de bodem. Vele graanplanten kunnen wel 2 meter diep wortelen, en bovengronds tot wel 2 meter hoog groeien. De teer uitziende halmen blijken taai en buigzaam, beweeglijk in de wind.

Haver is het graangewas, dat het best de koude verdraagt; het groeit tot in het poolgebied en dringt het hoogst in het gebergte door. Het is het meest licht minnend graangewas van het Europese continent (het verkommert in de schaduw) en tevens het ‘luchtigste’. De bloeiwijze is geen compacte aar, zoals bij tarwe, rogge of gerst, maar een luchtige pluim, wuivend in de wind. De steeltjes van de pluim gaan van de stengel kransstandig en in etages naar drie richtingen af. Ze dragen op hun beurt filigraan-fijne steeltjes met omlaag hangende aartjes, bestaande uit twee of drie ‘bloempjes’, omhuld door twee stevige, puntige bladeren.De goudgele haverkorrels rijpen binnenin de aartjes.

Haver heeft veel vocht nodig; het vele water dat de plant opzuigt, wordt weer uitgeademd via (voor deze plantenfamilie) relatief brede bladeren. Het maakt de plant sappig, en hierdoor zeer geschikt als groenvoer voor het vee, het is als het ware gras en graan tegelijk.

Waar gerst de ‘droogste’ (minst water nodig hebbende) graansoort is, geschikt voor het droge Middellandse-zee-gebied, zo verkiest de vochtminnende haver de regenrijke, koelere, maar met lange lichtdagen gezegende noordelijker gebieden van Europa. Intussen wordt hij bijna overal ter wereld in de neerslagrijke gebieden van gematigde zones verbouwd.
Door zijn sterk vertakt en diep rijkend wortelstelsel kan de plant ook in weinig vruchtbare (zand)grond groeien.

De belangrijkste inhoudsstoffen in de havergraankorrels zijn eiwitten (onder meer avenine), aminozuren (alle essentiële, waaronder veel meer lysine dan in andere graansoorten), talrijke enzymen, vooral lipasen (splitsen vetten in glycerol en vetzuren); een hoog gehalte aan lipiden (het hoogste van alle voedingsgewassen van de Poaceae); verder vele vitamines, waaronder vitamine A, beta-caroteen, vitamine B1 (thiamine), vitamine B6, vitamine E (tocoferol) en ook steroïden (fytosterolen) en alkaloïden (gramine, trigonelline).
Zowel de graankorrels als de groene delen van de haverplant bevatten veel gomslijmstoffen, vooral beta-glucanen (polysaccharide-ketens van β-D-glucose); evenals saponinen (zeepstoffen, die lucht en water kunnen verbinden tot schuim), vele flavonoïden (al 28 geïdentificeerd), organische zuren en polyfenolen (waaronder avenanthramiden met krachtige antioxidant-werking en ontsteking werende eigenschappen).  
Bovendien zit haver boordevol mineralen, de plant heeft een hoog fosforgehalte, zowel in de graankorrels als in de groene delen en bevat ook veel kalium, calcium, magnesium, mangaan, ijzer, zink en koper, met hogere concentraties in de groene delen dan in de graankorrels. De as bevat 50 tot 70% siliciumdioxide (kiezelzuur).
Onderzoek op diverse haverrassen laat zien dat haver (inclusief de graankorrels ervan) volledig vrij is van de gluten, aanwezig in tarwe, rogge of gerst, verantwoordelijk voor de toxische reactie bij mensen met overgevoeligheid voor gluten, glutenintolerantie of coeliakie. Haver bevat echter wel andere eiwitten uit de familie van de prolamines (avenine), die bij sommige (bijzonder gevoelige) coeliakiepatiënten een gelijkaardige reactie kunnen uitlokken.

Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar het werkingsmechanisme van Avena sativa. In de literatuur worden meestal de mineralen, vitamines, het proteïnegehalte en kiezelzuur als belangrijkste werkzame bestanddelen genoemd. Voor andere auteurs zijn dit vooral de alkaloïden, die zowel een dempende als een versterkende werking op het zenuwstelsel zouden uitoefenen.

De traditionele medicinale toepassing van Avena sativa is al gedocumenteerd vanaf de 12de eeuw.
Bereidingen van havergraankorrels (zoals havermeel vermengd met een geschikte drager) worden traditioneel als uitwendige therapie ingezet bij allerlei huidproblemen. Recente studies blijken deze toepassingen te onderbouwen, maar goed uitgewerkte clinical trials ontbreken nog.
De groene delen van de haverplant worden traditioneel toegepast als een plantaardig sedativum, voornamelijk onder de vorm van een kruidenthee, vloeibaar extract of als versgeperst sap.
Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’* (en monografie), dat er voldoende evidence is voor het inzetten van Avena sativa, fructus (havergraankorrels) in de symptomatische behandeling van lichte ontstekingen van de huid (zoals zonnebrand) en om de genezing te bevorderen van lichte wonden, en tevens voor de traditionele toepassing van Avena sativa, herba ter verlichting van milde symptomen van mentale stress en als slaap bevorderend middel.
In recente onderzoeken werden tevens interessante therapeutische effecten vastgesteld van bepaalde haverbereidingen bij patiënten met hypercholesterolemie en cardiovasculaire complicaties (geschikte clinical trials om de therapeutische effecten te bevestigen ontbreken nog op heden.)

In de fytotherapie worden preparaten van de ontschorste haverkorrels gebruikt bij zenuwachtigheid en slapeloosheid, en bereidingen van de niet-ontschorste vrucht als een tonifiërend middel bij vermoeidheid, tijdens herstelperioden of bij lichte depressies.
Afkooksels van de havergraankorrels worden ook toegepast in detoxificatiekuren bij drugs- en nicotineverslaafden als onderdrukker van afkickverschijnselen.

In de homeopathie en in de antroposofische geneeskunde wordt Avena sativa (voornamelijk als oertinctuur) ingezet bij nerveuze vermoeidheid, slapeloosheid en bij eetlustverlies. De oertinctuur wordt bereid uit verse bloeiende haverplanten (vóór de zaadvorming).
Het beeld van een haverveld, golvend, wuivend, altijd in beweging, door het kleinste zuchtje wind in beroering gebracht, staat symbool voor het type mens dat in het bijzonder gebaat blijkt door Avena sativa, mensen met een overgevoelig zenuwstelsel (‘neurogene’ constitutie). (‘Haver stabiliseert mensen, die zich “geknakt” voelen en niet meer opgewassen zijn tegen hun opgaven.’)

In het hoge gehalte aan (schuimvormende) saponinen komt het in elkaar weven van het luchtige en waterige, dat eigen is aan de haverplant, stoffelijk tot uitdrukking. Het mooie verwerken van het licht-lucht-gebied door de plant toont zich ook in een bijzondere eigenschap van havermeel: het bevat stoffen, die het rans worden van oliën en vetten, door het aangrijpen van luchtzuurstof, tegenhouden.
Juist door het in elkaar weven van lucht- en vloeistofprocessen werkt de tinctuur uit bloeiende haverplanten, volgens de antroposofische geneeskunde, regulerend op de verhouding tussen de processen in de lichaamsvloeistoffen (etherisch lichaam) en de bewustzijnsprocessen (psychische en emotionele)(astraal lichaam), die er hun invloed op uitoefenen. Avena sativa brengt tot rust, wekt de slaap op, en bevordert daardoor de opbouwprocessen, volgens de antroposofische geneeskunde.


* ASSESSMENT REPORT ON AVENA SATIVA- European Medicines Agency www.ema.europa.eu/docs/en...assessment_report/2009/12/WC500017998.pdf

Humulus lupulus, de hop, behoort tot de hennepfamilie (Cannabinaceae), zoals ook Cannabis sativa (hennep), maar, anders dan deze laatste, is het een slingerplant.

Hop komt voor in alle gematigde klimaatzones, in Europa, Azië en Noord-Amerika. Hij houdt van vochtige, wat beschaduwde en voedzame grond en is vooral te vinden in heggen en lichte loofbossen (vaak in het gezelschap van elzen en wilgen).

Onder de grond, als wortelstok, brengt hij de winterperiode door. In de lente groeien meerdere knobbelige ruwe stengels omhoog, die zich slingeren om struiken, bomen of andere klimhulpen, zich vasthechtend met vele fijne tweepuntige haakjes. Ze winden altijd met de zon mee, dus rechtsom, wat opmerkelijk is, want de meeste slingerplanten doen dit tegen de klok in.
Elk jaar opnieuw haalt de hopplant een lengte van 6-7 meter, vertrekkend van de grond af, in nauwelijks zestig dagen tijd. Met een gemiddelde groeisnelheid van tien centimeter per dag is het de snelst groeiende klimplant van West-Europa. Hij heeft hierbij minimaal 14 uur per dag licht nodig.
 
De lang-gesteelde kruiswijs geplaatste bladeren van de hop voelen ruw aan. Ze doen wat denken aan die van de wijnstok, maar bezitten geen ranken. Ze zijn enkelvoudig, meestal diep ingesneden en hebben een scherp getande bladrand.
    
Eind juni begint de hop te bloeien, wat 3-4 weken kan duren. De bloemen vallen weinig op door hun gelig groene kleur, maar zijn zeer talrijk.  
Humulus lupulus is tweehuizig, dus met meeldraad(♂)- en stamper(♀)-bloemen op verschillende planten. De meeldraadbloemen hangen vanaf de bladoksels in lange, wijdvertakte, luchtige trossen omlaag.

Bij de vrouwelijke plant zijn het kegelvormige schijnaren, met elk twee stampers. Ze groeien uit tot de bekende hopbellen (ook als ze niet bevrucht zijn). Deze hebben een conische vorm en bestaan uit een harde spil, omringd door groene dekblaadjes. Binnenin, aan de inplantingsbasis van deze schubjes, zitten kleine kliertjes. Hierin ontwikkelt zich bij rijping het gele hopmeel of lupuline, een bittere, harsachtige substantie met een karakteristieke, sterk kruidige geur. Hij bestaat voornamelijk uit bitterzuren en aromatische oliën.

Hoofdzakelijk om deze lupuline-substantie wordt hop gekweekt.
Al in de (late) middeleeuwen had men ontdekt dat bier na toevoeging van hop langer houdbaar werd. Het hopmeel in de hopbellen bleek hiervoor verantwoordelijk te zijn.
Tegenwoordig wordt hop voor het brouwen van bier nog steeds als een quasi onmisbaar ingrediënt beschouwd. Hop dient niet alleen als een natuurlijk bewaarmiddel, maar zorgt tevens voor schuimstabiliteit, een bittere smaak en een hoppig aroma.

Het zijn de hopbellen van onbevruchte vrouwelijke planten die bierbrouwers gebruiken. Bevruchte hopbloemen zijn ongewenst, want de zaadvorming, die na bevruchting optreedt, zou de kwaliteit van het lupuline sterk doen dalen en de vette oliën in het zaad hebben een negatieve invloed op de schuimvorming van het daarmee geproduceerde bier.
In België is het zelfs bij wet verboden om mannelijke hopplanten te laten staan binnen een straal van vijf kilometers van een hopveld (met vrouwelijke planten).
In het Verenigd Koninkrijk, waar men meestal geen schuim op het bier verlangt, worden ook bevruchte hopbellen (met zaad) verwerkt. Tot voor kort gebruikten de Engelsen zelfs helemaal geen hop in hun bierbereiding. Ze noemden alleen de gehopte dranken van het continent "beer", hun eigen ongehopte drank heette "ale". Dit wezenlijke verschil tussen bier en ale is er tegenwoordig niet meer. (Heel wat "ales" zijn nu ook gehopt.)

Grootschalige hopteelt gebeurt voornamelijk in Zuid-Duitsland, Noordwest Amerika, Tsjechië, Joegoslavië en ook in Zuid-Engeland. In Vlaanderen was de teelt lange tijd heel belangrijk rond Aalst en in de Westhoek, tegenwoordig zijn er nog slechts enkele hopboeren actief. Ook in Nederland wordt er hier en daar weer kleinschalig mee begonnen, vaak gerelateerd aan kleine lokale brouwerijen.
Een hopplant kan tot 20 jaar productief blijven.
Jonge uitlopers van de hopplant kunnen rauw of gekookt gegeten worden. Ze worden gestoken op het ogenblik dat ze nog onder de grond zitten en lijken dan wat op asperges. Hopscheuten worden, vooral in België, beschouwd als een ware delicatesse en zijn ook erg duur (rond de 475 euro per kg).

Waar de geslachtsnaam Humulus vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Volgens sommige auteurs is de naam afgeleid van het Latijnse werkwoord "humure" dat "vochtig zijn" betekent en wijst op de voorkeur van de plant voor een vochtige standplaats. Maar hij kan ook verwijzen naar “humus”, de vruchtbare grondsoort waarin hop het beste groeit.
"Lupulus" betekent letterlijk "wolfje" en kan verband houden met zijn eigenschap om zich aan andere planten vast te grijpen en ze te overwoekeren.
De naam hop zou komen van het Angelsaksische woord "hoppan" of het Oud-Duitse “hopfa” dat beide “klimmen” betekent.

Humulus lupulus wordt sinds mensenheugenis toegepast in de traditionele geneeskunde. Naast zijn reputatie van natuurlijk bewaarmiddel in de bierbrouwerij, verkreeg de plant al snel een reputatie als sedatief en slaap verwekkend middel, nadat was waargenomen dat hopplukkers vermoeid en slaperig werden. Vermoedelijk doordat hophars per ongeluk van hun handen in hun mond terecht kwam.
Een oud gebruik is om bij slapeloosheid en nervositeit kussenslopen te vullen met hop.
Ook worden hopbellen traditioneel ingezet ter kalmering van een nerveuze maag. De aanwezige bitterstoffen wekken hierbij de eetlust op en verbeteren de spijsvertering.

Dat hop de menstruatiecyclus van vrouwen kan beïnvloeden, werd lange tijd als een fabeltje afgedaan, tot onderzoek in 1988 krachtige fyto-oestrogene stoffen aantoonde (met name hopeïne).
Onderzoek van het effect van gestandaardiseerde hop-preparaten bij menopauzale klachten is volop bezig.
In lichaamsverzorgingsproducten worden vaak hopextracten (uit de droesem van bier) toegevoegd aan borst-verstevigende en rimpel-werende crèmes en lotions.

Ook voor therapeutische doeleinden worden alleen de vrouwelijke bloeiwijzen, de hopbellen, gebruikt, evenals het geïsoleerde hopmeel of lupuline. In de fytotherapie verwerkt men de gedroogde hopbellen en de gedroogde lupuline. In de homeopathie gebruikt men de verse hopbellen en de gedroogde lupuline.

Hop bevat zeer veel werkzame stoffen. Als belangrijke inhoudsstoffen worden beschouwd: de harsige bitterstoffen, vooral de humulones (of alfa-bitterzuren) en de lupulones (of bèta-bitterzuren), de etherische olie (verantwoordelijk voor het hoparoma),  de flavonoïden, waaronder quercetine,  kaempferol en xanthohumol, polyfenolen met fyto-oestrogene eigenschappen, en verder onder meer proanthocyanidines, fenolzuren, proteïnen, looistoffen, polysacchariden en mineralen.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’*dat het sedatieve effect van hop en zijn bereidingen al heel lang empirisch erkend is en dat het gebruik ervan plausibel is gemaakt door vele in vitro en in vivo farmacologische studies.
Uit dierproeven konden een aantal inhoudsstoffen afgeleid worden, die bijdragen aan de sedatieve activiteit. Dit zijn met name de alfa-zuren (humulones), bèta-zuren (lupulones) en bestanddelen van de etherische olie. Maar ook andere bestanddelen, zoals  xanthohumol, zouden een belangrijke rol spelen. Studies op mensen met afzonderlijke inhoudsstoffen ontbreken op dit moment.
Ook werden tot op heden geen klinische studies met uitsluitend hopextracten gepubliceerd, wel tenminste zeven placebo- of reference-controlled klinische studies met vaste combinaties van hopextracten en valeriaanwortelextracten bij slapeloosheid. Een mild sedatief effect werd duidelijk aangetoond.
De literatuur vermeldt geen toxische bijwerkingen bij therapeutische doses. Verse hopbloemen kunnen huidirritatie en blaasvorming veroorzaken (hopplukkers).

Hoppreparaten in de antroposofische geneeskunde worden eveneens uit de hopbellen bereid, Humulus lupulus, fructuarium.  Ze worden ingezet bij inslaapstoornissen door bezorgdheid en gedachtencirkels, bij onrust en angst.
Humulus lupulus is een plant die veel vocht nodig heeft, maar ook veel licht en lucht.
Vanuit de wortel opstijgend toont zich een tendens tot verdichting, tot versteviging, onder meer zichtbaar in de ruw aanvoelende bladeren op lange, dunne stelen en de sterke vezelvorming in het bastdeel van de stengels.
Hop vormt hars binnenin het bloemgebied. Normaal ontstaan harsen in verdichte, houtachtige plantendelen, zoals in de stam bij naaldbomen. Ze zijn te beschouwen als verstarde etherische oliën, aromatische (sulfurische) stoffen die in samentrekkende verdichtingsprocessen worden gevangen, waardoor ze stroperig worden, in plaats van langzaam te vervluchtigen in de omgeving.
 
Al deze verdichtings- en verstevigingsprocessen leiden bij de hop echter verrassend genoeg niet tot een stevige, rechtop staande stengel; hij heeft zelfs andere planten of steunpunten nodig om zich te kunnen oprichten. Deze processen spelen zich hoofdzakelijk af in het blad- en bloemgebied. Dit alles heeft een bovenmaatse en snelle lengtegroei en een dominantie van het bladachtige tot gevolg. Een duidelijke afgrenzing wordt niet uitgevormd. De plant kan zich zo geheel verbinden met de licht- en luchtkwaliteiten van de omgeving.
Volgens de antroposofische geneeskunde bewerken preparaten van Humulus lupulus therapeutisch, dat de ziel, van de stofwisselingspool af, gevoed wordt met ‘verbindende sympathiekrachten’ en bitterheid wordt overwonnen. Angst en spanning laten los, waardoor de slaap wordt bevorderd.


* Assessment report on Humulus lupulus L., floswww.ema.europa.eu/docs/en...assessment_report/2014/08/WC500170935.pdf
8 May 2014 . EMA/HMPC/418902/2005 . Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC) Assessment report on Humulus lupulus L., flos . Based on Article 16d (1), Article .

Passiflora incarnata is een doorlevende, ranken vormende plant uit de passiebloemfamilie (Passifloraceae).Het natuurlijke verspreidingsgebied van de passiebloemen ligt hoofdzakelijk in het zuidelijk deel van Noord-Amerika, in Midden- en Zuid-Amerika en op de Caraïben.

Passiebloemen zijn warmte minnende klimplanten, die zich vasthechten met behulp van tot hechtranken omgevormde zijtakjes. Ze hebben dunne, snel houtige stengels met om en om zittende grote, altijd groene bladeren, die diep ingesneden zijn in drie, vijf, of zeven lobben. Ondergronds vormen ze dikke vlezige wortels.

Hun grote, opvallend fraaie bloemen zijn alzijdig symmetrisch en heel bijzonder van vorm. De vijf kelkbladen hebben aan de bovenkant dezelfde kleur als de vijf kroonbladen. Bovenop de kroon zit nog een krans (of meerdere kransen) lange, draadvormige slippen, de ‘bijkroon’ of corona. In het centrum van de bloem stijgt een zuilvormig uitsteeksel op, de androgynofoor (letterlijk ‘man-vrouw-drager’), waarop vijf meeldraden (♂) zitten en daarboven de stamper (♀), met vruchtbeginsel en drie stijlen. Passiebloemen vermeerderen zich door middel van bestuiving en via ondergrondse uitlopers.

Toen missionarissen in de 16e eeuw deze plantenfamilie ontdekten in Zuid-Amerika, inspireerde de fascinerende vorm van de bloemen hen tot de naamgeving ‘Passiflora’, letterlijk ‘passiebloem’. In de verschillende delen van de bloem zagen ze de symbolen van het lijden (de passie) van Jezus Christus: de doornenkroon in de corona, de kruisnagels in de drie stijlen en de kelk met alsem in het vruchtbeginsel.

Vele Passiflora-soorten dragen eetbare vruchten of worden gekweekt om hun schoonheid en geur. Passiflora caerulea, de blauwe passiebloem, is waarschijnlijk als eerste passiebloem in Europa in cultuur gebracht. Deze soort is redelijk vorstbestendig en is in onze streken tot op vandaag als sierplant de meest voorkomende passiebloemsoort.

Voor medische doeleinden worden de bovengrondse delen (herba) van Passiflora incarnata gebruikt, vaak vleeskleurige passiebloem genoemd.

Passiflora incarnata heeft fijn-gekartelde, handnervige bladeren, die aan de basis wigvormig verlopen en diep drielobbig zijn (zoals een vijgenblad). Aan de basis van de bladschijf zitten honingklieren.

De opvallende bloem heeft de typische Passiflora-kenmerken. De vijf kelkbladen zijn groen aan de buitenkant, en variabel van kleur aan de binnenkant: vlees- of crèmekleurig, roze-achtig paars, of bleek lavendelpaars tot violet. De vijf kroonbladen zijn iets korter en hebben dezelfde kleur. De bijkroon of corona bestaat uit meerdere rijen ‘draden’, wit, roze-achtig, lavendelpaars of violet van kleur en gegolfd naar het einde toe.
Na de bloei verschijnen er ei- of bolvormige vruchten, in de Verenigde Staten bekend als "maypop". Ze rijpen van groen naar groengeel en bevatten - vergelijkbaar met granaatappels - een heleboel eetbare zaden (pitten), omgeven door een wat slijmerig, zeer verfrissend, zoetzurig vruchtvlees, rijk aan vitamine C.


Als de belangrijkste inhoudsstoffen worden beschouwd: flavonoïden (met o.m. vitexine en isovitexine, chrisine), alkaloïden uit de harmaangroep, maltol, etherische olie (met meer dan 150 componenten) en gynocardine (een cyanogeen glycoside).

Al meer dan 200 jaar worden passiebloembereidingen in de volksgeneeskunde en fytotherapie  ingezet als kalmerend middel om gespannen zenuwen tot rust te brengen en het inslapen te bevorderen, ook bij angsten, om krampen van de gladde spieren te verlichten en als pijnstillend middel bij zenuwpijnen.
Ook in de homeopathie is Passiflora incarnata (als oertinctuur) al heel lang populair, voornamelijk bij slaapstoornissen.

Wetenschappelijk onderzoek blijkt deze toepassingen grotendeels te onderbouwen, ook al heeft men tot op heden het hele werkingsmechanisme nog niet in kaart kunnen brengen.
Duidelijk werd dat de therapeutische eigenschappen niet het resultaat zijn van de werking van één bestanddeel, maar wel van de associatie van verscheidene bestanddelen. Zo zijn sedatieve eigenschappen aangetoond van zowel de alkaloïden- als van de flavonoïden-fractie van passiebloemkruid.
Recent werd aangetoond dat modulatie van het GABA-erge-systeem hierbij een belangrijke rol speelt (zoals bij de benzodiazepines).

In-vivo-studies op knaagdieren stelden een sedatieve werking op het centrale zenuwstelsel vast, inclusief een afname van de spontane motorische activiteit en een dosisafhankelijke verlenging van de (pentobarbital-geïnduceerde) slaapduur.
Ook werden verschillende klinische studies gepubliceerd, echter van onvoldoende kwaliteit, door een te gering aantal testpersonen of te weinig informatie over het gebruikte extract.

Het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) concludeerde in een ‘assessment report’* (en monografie**), dat het traditioneel gebruik van Passiflora incarnata L., herba voor het verlichten van milde symptomen van mentale stress en als slaap bevorderend middel goed gedocumenteerd is in verschillende gerenommeerde handboeken en dat de beschikbare farmacodynamische studies op dieren en de klinische studies de empirisch vastgestelde sedatieve en anxiolytische effecten van passiebloem voldoende onderbouwen.

De toepassingsgebieden van Passiflora incarnata in de antroposofische geneeskunde sluiten volledig aan bij het traditionele gebruik. Preparaten bereid uit de bloeiende bovengrondse delen van Passiflora incarnata worden met name ingezet bij opwinding, angsten, slapeloosheid, krampen, nerveuze maag en bij astma bronchiale.

Passiflora incarnata wordt vaak gebruikt in combinaties met andere sedatieve kruidensubstanties.


* Assessment report on Passiflora incarnata L., herba www.ema.europa.eu/docs/en...assessment_report/2014/06/WC500168964.pdf
25 March 2014 . EMA/HMPC/669738/2013 . Committee for Herbal Medicinal Products (HMPC) Assessmentreport on Passiflora incarnata L., herba


** Community herbal monograph on Passiflora incarnata L., herbawww.ema.europa.eu/docs/en_GB/...monograph/2014/06/WC500168966.pdf
25 March 2014 . EMA/HMPC/669740/2013 . Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC) Community herbal monograph on Passiflora incarnata L., herba

Valeriana officinalis, de Echte valeriaan, is een kruidachtige plant uit de valeriaanfamilie (Valerianaceae), een familie die tegenwoordig in zijn geheel is ondergebracht bij de Caprifoliaceae of kamperfoeliegewassen.
Het is een sterke overblijvende plant, die anderhalve meter hoog kan worden en bijna wereldwijd in alle gematigde gebieden voor komt. Hij verkiest vochtige, humusrijke plaatsen met niet te veel schaduw, zoals vochtig weiland, bosranden en slootkanten. Aan de snelheid waarop hij slap gaat hangen als men hem afplukt, is duidelijk te zien hoeveel vocht hij nodig heeft.

Valeriaan heeft een korte wortelstok en een uitgebreid wortelstelsel. Hieruit stijgt één stevige, overlangs gegroefde stengel omhoog (onder de vorm van uitlopers kunnen er op de duur meerdere stengels ontstaan). De stengel gaat kaarsrecht omhoog, vertakt zich alleen bovenaan, en is geheel of gedeeltelijk hol (als een buis). Het drukt een zekere starheid uit, maar ook kracht; een valeriaanstengel is niet gemakkelijk te breken.

De fraai gevormde, donkergroene bladeren zijn samengesteld uit negen tot eenentwintig (of meer) langwerpige, getande bladslippen, die - karakteristiek voor valeriaan - net niet helemaal tegenover elkaar gerangschikt zitten. En ook typisch: het deelblaadje aan het eind van elk valeriaanblad is telkens wat groter dan de andere.
De bladeren zitten, tegenoverstaand, in rijen met veel tussenruimte over de stengel verdeeld, naar boven toe steeds dichter tegen de stengel aan en fijner gevederd.

Midden in de zomer gaat valeriaan bloeien, met talrijke wittig-roze bloempjes in dichte, afgeronde kluwens (schijnschermen). De plant licht dan stralend op tussen de omringende vegetatie, met zijn lange rechte stengel er hoog boven uitstekend.

De vrucht is een nootje met slechts één zaad in een van de drie vruchthokjes. De zaden zijn slechts zeer kort kiemkrachtig (korter dan één jaar), maar licht en pluizig als ze zijn, worden ze gemakkelijk door de wind meegenomen en goed verspreid.

Het meest herkenbare aan valeriaan is zijn geur. De bloempjes hebben een wat eigenaardige, zoetige, maar niet echt onaangename geur. Uit de plant stijgt echter ook iets zweterigs, licht ranzig bedorvens omhoog, vanuit de wortel. De typische penetrante valeriaanlucht, ‘naar zweetvoeten‘, ontwikkelt zich het sterkst bij het drogen van de wortel.  Op  katten oefent deze geur een eigenaardige bekoring uit, ze rollen er zich graag in en gaan er helemaal van uit de bol.
Valeriaan blijkt op de mens rustgevend, slaap bevorderend te werken, op katten eerder het tegenovergestelde, alsof ze zich tegen de slaap verzetten en daarom gaan flippen.

De antroposofische geneeskunde herkent in Valeriana officinalis de signatuur van een sterke verbinding met het lucht- en licht-element. Vertrekkend vanuit de vochtige, modderige aarde, groeit zij uit tot een hoge rechte plant, met diep ingesneden steeds verfijnder wordende bladeren, oplichtende sterk geurende bloemschermen en ‘doorlucht’ met ingelijfde lucht in de holle stengel tot in de luchtkamers van de wortelstok.

Valeriana officinalis is een van de oudste geneeskrachtige kruiden en had lange tijd een indrukwekkende reputatie als middel tegen een scala van kwalen. Vele toepassingen behoren inmiddels tot het verleden. Vanwege zijn rustgevende en kramp opheffende eigenschappen wordt valeriaanwortel tegenwoordig voornamelijk gebruikt bij slapeloosheid, maag- en darmstoornissen, angstgevoelens, hartkloppingen en allerlei andere klachten van nerveuze aard. De wortel is het meest krachtig werkende deel van de plant.
De sedatieve, slaap bevorderende en anxiolytische werking van Valeriana officinalis wordt ondertussen als wetenschappelijk bewezen beschouwd en verschillende preparaten zijn al geregistreerd als regulier bewezen (WEU) of als traditioneel kruidengeneesmiddel (met indicatie).

In de etherische olie vond men verschillende stoffen met sedatieve eigenschappen, kamferachtige verbindingen, mono- en sesquiterpenen en hun esters, waaronder vooral valereenzuur en bornylacetaat. Later kreeg de stoffengroep van de valepotriaten veel belangstelling; het bleken echter zeer onstabiele verbindingen. Maar ook hun afbraakproducten vertonen sedatieve effecten, baldrinal, valeriaan- en isovaleriaanzuur (verantwoordelijk voor de kwalijke geur). Verder werden kleine hoeveelheden lignanen (polyfenolen met fyto-oestrogeenwerking) geïdentificeerd, sporen alkaloïden, vrije aminozuren, zoals arginine, alanine, glutamine, GABA, flavonoïden, zetmeel en suikers, fenolzuren en vrije vetzuren.
De resultaten van de vele onderzoeken leiden tot de conclusie dat het sedatief en anxiolytisch effect van valeriaanwortelextracten niet toe te schrijven is aan één enkele actieve stof maar aan een synergie-werking tussen de verschillende bestanddelen.

Talrijke studies werden opgezet om het ‘werkingsmechanisme’ van de valeriaanextracten te achterhalen. Dit bleek geen eenvoudige zaak en ook momenteel slechts ten dele ontrafeld. De interesse focuste zich vooral op mogelijke interacties van valeriaanwortel met het GABA-A-messenger systeem. Gamma-aminoboterzuur is een remmende neurotransmitter van het centrale zenuwstelsel die zenuwimpulsoverdracht tussen neuronen vermindert. Bepaalde bestanddelen in valeriaanwortelextracten bleken inderdaad een affiniteit te hebben voor GABA-benzodiazepine-receptoren, met een mogelijke concentratiestijging van GABA tot gevolg, en een dempend effect op het centrale zenuwstelsel.
Valeriaanwortelpreparaten kunnen een te sterk geprikkeld zenuwzintuigsysteem verlichten, waardoor een krampstillend en slaapverwekkend effect optreedt. Uit slaapanalyses blijkt dat de structuur van de slaap verbetert, de frequentie van het wakker worden, de slaaptijd, innerlijke onrust, spanning en slaapkwaliteit. Zowel vanuit klinische ervaring als in slaap-EEG-studies, werd duidelijk aangetoond dat het effect gradueel toeneemt gedurende een behandeling over verschillende weken.

In gecontroleerde klinische trials bij ongeveer 620 patiënten* werden valeriaanwortelpreparaten in het algemeen goed verdragen, terwijl in dezelfde studies chemische substanties zoals oxazepam, flunitrazepam, temazepam en diphenhydramine de typische ongewenste effecten lieten zien, zoals slaperigheid, moeheid en ‘hang-over’ effecten.
Zelfs een overdose van ongeveer 20 gram valeriaanwortel leidde niet tot enige ernstige klinische symptomen. Alleen na langdurig overdadig gebruik kan er een vorm van ‘valerianomanie’, een soort verslaving en reboundeffect optreden met hoofdpijn en onrust.
Vreemd genoeg bestaat er ook een minderheid van mensen die totaal niet gevoelig zijn voor het sedatieve effect van valeriaan.

In een assessment report* concludeerde het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA), dat er voldoende evidence is voor een veilig klinisch gebruik van valeriaanwortel bij slaapstoornissen en milde nerveuze spanning. Valeriaanwortel wordt al eeuwenlang ingezet in vele landen en is in vele gerenommeerde handboeken, expert reports en dergelijke beschreven.
De resultaten van verschillende randomised, controlled, double-blind clinical trials op de sedatieve en anxiolytische activiteit van valeriaanwortel, ondersteunen dit en bieden voldoende onderbouwing voor de indicaties “Kruidengeneesmiddel voor de vermindering van milde zenuwspanning en slaapproblemen” (voor preparaten onder WEU) en “Traditioneel kruidengeneesmiddel voor de vermindering van milde symptomen van mentale stress en om de slaap te bevorderen”.


* Assessment report on Valeriana officinalis L., radix and Valeriana officinalis L., aetheroleum www.ema.europa.eu/docs/en...assessment_report/2015/07/WC500190427.pdf

Het plantengeslacht Coffea behoort tot de zeer grote Walstrofamilie of Rubiaceae. In de gematigde klimaatzones zijn slechts weinig vertegenwoordigers van deze familie te vinden; het zijn vooral bescheiden plantjes als Lievevrouwebedstro, Kleefkruid, Walstro. Het zwaartepunt van de Rubiaceae ligt in de tropen en vooral in de regenwouden.

Coffea arabica stamt van nature uit het hooglandregenwoud van Zuidelijk Ethiopië. Het is de meest gekweekte koffiesoort. De naam ‘Coffea arabica’ kreeg de plant in het midden van de achttiende eeuw van Linneaus (de grondlegger van de plantennomenclatuur). Hij ging er verkeerdelijk van uit dat koffie in Arabië groeide. In die tijd was koffie enkel gekend via de Arabieren, die er een handelsmonopolie op hadden. Later werd de teelt van deze soort verspreid over verschillende Europese kolonies, in tropische gebieden.
Op dit ogenblik zijn er ca. 100 verschillende botanische soorten koffie gekend, naast nog talrijke cultuurvariëteiten van Coffea arabica.
Op grote schaal wordt naast 'arabicakoffie' enkel nog 'robustakoffie' gekweekt, Coffea canephora. Deze soort komt van nature voor in de Afrikaanse tropische regenwouden, van Senegal tot Uganda. Het is een robuuste koffiesoort, een sterkere, productievere plant, met grotere bladeren, resistenter tegen ziekten, en dus ook goedkoper te telen. Hij groeit het best in lager gelegen, warmere gebieden, terwijl 'arabica' beter gedijt op grotere hoogte, waar het wat koeler is.
Arabica-koffiebonen geven een mildere en aromatischer koffiesmaak en worden vooral gebruikt in de duurdere melanges. Robusta-koffie heeft een bittere smaak.
Coffea arabica en Coffea canephora leveren samen 98% van de wereldkoffieproductie.

Koffieplanten hebben schaduw, warmte, vochtigheid en humusrijke diepe bodems nodig.
Uit een krachtige, diep reikende wortel groeien ze piramidevormig op tot een kleine boom of struik.
Hun gladde en glanzende, ovale, altijd groene bladeren voelen verrassend zacht aan voor een tropische plant. Ze zitten, kort gesteeld, dicht tegen de stam aan.
Coffea-gewassen zijn goed aangepast aan het relatief lichtarme en zeer vochtige milieu van het tropische regenwoud. Met hun grote kruisgewijs tegenoverstaande bladeren kunnen ze een maximale hoeveelheid licht opvangen en door de ‘druppelspits’ aan de top kan neerslag, die op de bladschijf valt, makkelijk van het blad afdruppen.

In de oksels van de bladstelen ontwikkelen zich, praktisch het hele jaar door, dichte trossen decoratieve witte (tot heel lichtroze), naar jasmijn geurende, vijftallige bloemen, die veel nectar bevatten. Ze trekken bijen aan, die voor de bestuiving zorgen. De bloei treedt massaal en in vlagen op en is zeer vluchtig (duurt soms maar enkele uren).
Nadat de bloem bestoven is, groeit het vruchtbeginsel uit tot een groene vlezige vrucht, die bij rijpheid rood verkleurt. In elke koffiebes zitten twee harde stenen, de eigenlijke bonen, die nog omgeven zijn door een zilverachtig vliesje. Voor de koffieoogst worden ze, als de vrucht rijp en rood is, van het vruchtvlees ontdaan, gedroogd en gepeld.

Een koffieplant draagt pas na 4 jaar vruchten en is hooguit 25 jaar productief. Vaak zitten er tegelijkertijd bloemen, groene en ook rijpe koffiebessen aan; in de gebieden waar ze groeien zijn er geen jaargetijden.
Gedroogde koffiebonen, waarvan het zilvervliesje is verwijderd is, worden vervolgend 'gebrand'. Door het branden (roosteren) bekomt men het typische koffiearoma.

Doorheen de gehele plant, bloem, vrucht, zaad, blad, (- wortel en hout slechts in sporen -) wordt het alkaloïde cafeïne (of coffeïne) gevormd. Bij nog ongebrande bonen zit het gebonden aan koffielooizuren; deze vergroenen aan de lucht, wat de gedroogde boon zijn groene kleur geeft.
‘Groene koffie’ (Coffea cruda) heeft geen geur en geeft een bijna kleurloze drank. Het roosteren is noodzakelijk om het bijzondere koffiearoma te ontwikkelen (Coffea tosta). Aromatische en vluchtige stoffen zweten hierbij naar buiten, waar ze worden teruggeslagen op de bonen en losjes vastgehouden aan het oppervlak. De warmteprocessen, die de plant tot bloei en vruchtvorming hebben gebracht, en het zaad tot rijping, worden hierdoor nog versterkt. Het koffiebranden is een delicate operatie die progressief moet verlopen en de bonen moeten constant omgeroerd worden. De warmte moet het centrum van de boon bereiken zonder dat het buitenste wordt verkoold.

Het alkaloïde cafeïne behoort chemisch gezien tot de purines, stoffen met een purine-groep (C5H4N4) als basis, die in het menselijk lichaam worden afgebroken tot (het aan purine verwante) urinezuur (C5H4N4O3).
Cafeïne is een milde psychoactieve stof met een stimulerende werking (de meest geconsumeerde psychoactieve stof ter wereld). Het bittere alkaloïde wekt adrenerge effecten op: het stimuleert het orthosympathische zenuwstelsel, de hartslag en de ademhaling.
Cafeïne werkt (fysiek) direct op de zenuwen in, die geprikkeld worden. Dit gebeurt in hoofdzaak door het blokkeren van adenosinereceptoren, waardoor de activiteit van neurotransmitters als glutamaat en dopamine toeneemt.

Cafeïne-bevattende koffie verbetert verschillende aspecten van de hersenfunctie, geheugen, humeur, waakzaamheid, energieniveau, reactiesnelheid en algemene cognitieve functie. Het opwekkende effect begint meestal binnen een uur na inname en is in de regel na ongeveer vijf uren uitgewerkt. Omdat ze veel wakkerder worden, kunnen veel mensen na het drinken van koffie niet goed inslapen, dit is vooral het geval bij oudere personen.
Cafeïne kan verslavend werken; bij plots stoppen of sterk verminderen kunnen ontwenningsverschijnselen optreden, zoals hoofdpijn en vermoeidheid.

De bekende bijwerkingen bij overdadig gebruik zijn logisch af te leiden als keerzijde van de medaille: hartkloppingen, slapeloosheid, zenuwstoornissen, rusteloosheid, maagstoornissen, verhoogde bloeddruk.
Hierop, via het gelijksoortigheidsprincipe (similia-principe), baseert de homeopathie de toepassingen van Coffea tosta in homeopathische verdunning. Het middel wordt onder meer gebruikt bij slapeloosheid en hartkloppingen door opwinding, overgevoeligheid van alle zintuigen en spanningshoofdpijn.
In de antroposofische geneeskunde wordt Coffea tosta (geroosterde Coffea arabica) in hoge homeopathische verdunning, D30 en D60, ingezet bij slapeloosheid.