print

Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn?

Arie Bos

Frans de Waal is wereldberoemd geworden met zijn boeken – het zijn er inmiddels ongeveer vijftien- over het gedrag van dieren dat ‘welhaast menselijk’ lijkt. In zijn laatste boek, ‘Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn’, maakt hij zich voornamelijk boos.
De Waal is primatoloog en haalt de meeste voorbeelden dus uit het apenrijk, maar kent ook alle voorbeelden van andere dieren die iets vertonen dat lijkt op cultuur, moraal, empathie, doorhebben wat een ander waarschijnlijk denkt (theory of mind), oplossen van problemen die zich normaal niet in hun natuurlijke omgeving voordoen en zelfs plannen maken door voorbereidingen te treffen voor iets dat veel later op de dag pas van pas zal komen. Zijn boeken heb ik tot nu toe verslonden. Ze zijn vlot geschreven en vertellen verhalen waar je soms paf van kunt staan. Papegaaien, honden en Bonobo’s die woordelijk verstaan wat hun verzorgers tegen hen zeggen, waarbij papegaaien zelfs nog kunnen antwoorden. Duidelijk altruïstisch gedrag, maar even vaak gedrag dat je Machiavellistisch  zou kunnen noemen (In ‘Chimpanseepolitiek’). Verbreiding van nieuwe gewoonten, zelfs van werktuiggebruik (‘De aap en de sushimeester’), kortom, niets menselijks lijkt de dieren vreemd. In dit laatste boek laat hij (weer) zien dat dieren kunnen nadenken, oplossingen bedenken en plannen maken en een aantal zichzelf in de spiegel herkennen. Hij maakt zich terecht boos op de behaviouristen die dieren als automaten beschouwen en hen aan wrede experimenten onderwierpen (overigens zagen ze mensen niet anders en behandelden ze kinderen even wreed) maar hij fulmineert hier vooral tegen auteurs die het gevoel hebben dat mensen essentieel verschillen van dieren. Er is eigenlijk geen essentieel verschil, zo betoogt hij, alleen een gradueel. Hij volgt daarin Darwin die ooit zei: ‘de natuur maakt geen sprongen’. Nu is dat standpunt echter inmiddels , zelfs onder evolutiebiologen, verlaten. De sprongen tussen verschillende elkaar opvolgende soorten zijn soms vrij groot en het valt toch niet te ontkennen dat -om eens iets te noemen- het effect dat dieren op deze wereld uitoefenen mijlenver afstaat van dat van de mens.
Ik heb De Waals boeken altijd gezien als een welkom inzicht. Als we op goede gronden  aannemen dat wij lichamelijk, dus in onze natuur, nauw verwant zijn aan de dieren, dan is het een opluchting te weten dat  moraal en cultuur niet opeens bij de mens zijn ontstaan. Want dat zou betekenen dat wij voortdurend tegen onze natuur in zouden moeten gaan om ons moreel en beschaafd te gedragen. Beschaving zou maar een dun schilletje zijn dat we als een soort façade op zouden houden. Er zijn mensen die zo denken en ik kan me niet voorstellen dat zo’n wereldbeeld een fijn mens van je maakt. Maar wat De Waal, als verklaard Darwinist, zich niet afvraagt is: hoe verklaar je evolutionair dat honden, mensapen en papegaaien mensentaal kunnen verstaan? Welke ‘toevallige mutatie’ zou hen zo’n eigenschap hebben opgeleverd die hen geen enkel evolutionair voordeel oplevert? Dat zie je vaker: het ontstaan van eigenschappen bij een soort die er zelf niets aan heeft, maar die voor een later in de evolutie tevoorschijn komende soort wel voordelen opleveren. Exaptatie is de term hiervoor. Dat doet toch denken aaneen zekere doelgerichtheid, een gruwel in de ogen van de echte Darwinist. Hij Het moet De Waal toch ook opgevallen zijn dat al deze eigenschappen  waar hij ons van vertelt die steeds vaker voorkomen naarmate dieren hoger stijgen  op de evolutionaire ladder (ook een term die de (neo)Darwinist onwelgevallig is), wijzen op een steeds grotere vrijheid in gedrag, een steeds grotere autonomie? Dan moet toch opvallen dat de mate van autonomie bij mensen een enorme sprong heeft vertoond ten opzichte van de dieren.  De Waal laat zien dat veel experimenten die falen om cognitieve talenten aan te tonen bij dieren gewoon slecht opgezet zijn omdat ze geen rekening houden met de specialisaties van dieren. Daar heeft hij een punt, maar daarmee geeft hij meteen blijk van het negeren van het grootste verschil tussen mens en dier. Dieren zijn gespecialiseerd: in gedrag, voedsel, voortbeweging, habitat. En dat heeft de mens nu juist niet. De mens heeft geen specialisaties meegekregen en moet alles zelf ontwikkelen. Dat bepaalt ook onze slimheid. Je kunt je dan ook afvragen of dieren wel slim genoeg zijn om te weten hoe slim mensen zijn. Ik vind het dus niet zijn boeiendste boek, maar wanneer je nooit iets van hem hebt gelezen kun je dit kiezen als een, wat droge, samenvatting van zijn boodschap.