print

Echinacea Hoest

Echinacea Hoest (of Echinacea comp.), ook bekend onder de naam Doron, is een veel gebruikt geneesmiddel in de antroposofische geneeskunde bij hoest. De orale druppelvloeistof (Dil.) bevat zes bestanddelen, in gelijke delen gemengd: Ammonium carbonicum D4, Barium jodatum D4, Berberis vulgaris (fructus) D2, Echinacea angustifolia (planta tota) Ø, Hydrastis canadensis (rhizoma, decoctum) D4, Pulsatilla vulgaris (planta tota) D4.

Een beschrijving van de componenten:

Ammonium carbonicum

Ammonium carbonicum of ammoniumcarbonaat is een wit, naar ammoniak ruikend kristallijn poeder, dat gemakkelijk, reeds bij kamertemperatuur, ontleedt aan de lucht. Naast water en koolstofdioxide komt hierbij ook ammoniakgas vrij. Hierop steunt de traditionele toepassing ervan als vlugzout (geldt ook voor ammoniumbicarbonaat) om iemand die flauwvalt bij te brengen. De bijtend scherpe geur van het vrijkomend ammoniakgas is een sterke (opwekkende) prikkel voor de bewusteloze persoon.

Ammoniumcarbonaat werd vroeger ‘hertshoornzout’ genoemd, omdat het gewonnen werd uit geweien en hoeven van herten door droge destillatie. Het zout werd al in de Oudheid als zweetdrijvend middel gebruikt bij koorts.

Ammonium carbonicum vertoont dus, paradoxaler wijze, naast zijn typisch zoutkarakter, ook oplossende, opwekkende, vervluchtigende (‘sulfurische’)  kwaliteiten. 

In de antroposofische geneeskunde benut men deze ‘tegenstrijdige’ eigenschappen om een ‘spanning’ op te roepen in de verhouding tussen boven (zenuwzintuigsysteem) en onder (stofwisselingsysteem). Het therapeutische doel hierbij is om de bloedsomloop te stimuleren en om, vooral in het bronchiale gebied, een secretie bevorderend en expectorerend effect op te roepen. 

Barium

Barium is een zilverwit aardalkalimetaal. Doordat het zo makkelijk reageert met andere elementen komt het vrijwel niet ongebonden in de natuur voor. De belangrijkste bariumbron is het mineraal bariet, gekristalliseerd bariumsulfaat. Barium reageert heviger met water en met zuurstof dan de meeste andere aardalkalimetalen en lost gemakkelijk op in bijna alle zuren (behalve in geconcentreerd zwavelzuur). Wegens zijn hoge reactiviteit moet barium bewaard worden onder een zuurstofvrije vloeistof, zoals petroleum of olie. De zilverwitte metaalkleur wordt aan de lucht snel matgrijs, omdat zich een oxide-laag vormt. Deze laag is te dun om een spontane zelfontbranding tegen te kunnen houden.

Barium en zijn water-oplosbare verbindingen zijn giftig voor planten, dieren en de mens. Een uitzondering vormt een groenalg-familie, die de substantie juist nodig heeft.

Barium heeft veel overeenkomsten met calcium én met lood. Barium glanst zilverwit als het metaal calcium, maar vooral in zijn verbindingen herinnert het sterk aan calcium. Aan de andere kant is barium even giftig als lood. Om een wit oplichtende, goed dekkende verf te bekomen kan lood zonder probleem vervangen worden door barium. Opmerkelijk is ook dat zowel barium als lood uitstekend röntgenstralen kunnen absorberen. Barium wordt als contrastmiddel in de radiologie gebruikt en lood als afschermmateriaal tegen de straling (loden schort) 

Ook het geneesmiddelbeeld van Barium in de antroposofische geneeskunde vertoont grote overeenkomsten met dat van Calcium én van Plumbum (lood), en wel in die zin, dat Barium-preparaten bij kinderen grotendeels in dezelfde richting werken als Calcium-preparaten en bij oudere patiënten meer als Plumbum-middelen. Er is één indicatiegebied dat heel kenmerkend is voor Barium, namelijk dat van een achtergebleven geestelijke ontwikkeling.

Barium wordt ook gerelateerd aan de pancreas-activiteit. Dat het ‘Barium-kind’ niet wil spelen en de oudere ‘Barium-mens’ neigt naar neerslachtigheid, wijst, volgens de antroposofische geneeskunde, op een ‘zich niet goed voelen in het verteringsproces’. Barium-preparaten worden onder meer ingezet bij adenoïde woekeringen, vochtophoping in de weefsels, trage stofwisseling en onvoldoende uitscheiding.

Berberis vulgaris

Berberis vulgaris wordt in de volksmond ‘zuurbes’ genoemd, vanwege de erg zure smaak van zijn vruchtjes. De struik toont een sterk gebalde vitaliteit, onder meer zichtbaar in de vele doornen (per drie gerangschikt), de stekelige bladranden en de samenbundeling van de bladeren langsheen de takken, in rozetjes. Na een korte, felgele bloei volgen de typische scharlakenrode, langwerpige besjes.

Berberis vormt alkaloïden (stikstofbasen uit de eiwitstofwisseling), voornamelijk in zijn gele wortelschors, en aan de andere kant - vooral in blad en bessen - hoge concentraties aan plantenzuren (onvolkomen tussenproducten uit de suikerstofwisseling). 

Bij de therapeutische toepassing van Berberis onderscheiden we die van de (wortel)schors en die van de vrucht. De (wortel)schors (cortex radicis) wordt voornamelijk ingezet, wanneer door stagnaties in de stofwisseling, afbraak en uitscheiding onvolkomen verlopen en afzettingen ontstaan. 

De bessen worden uitgesproken vitaliserende eigenschappen toegeschreven, met een bijzondere relatie tot nieren-blaas-systeem en uterus, evenals tot het gebied van neus- en voorhoofdholtes.

Preparaten uit de bessen (fructus) worden vooral toegepast, wanneer vloeistofprocessen onvoldoende beheerst en ‘doorvormd’ verlopen en er ontsporingen en woekeringen optreden. 

Echinacea

Alles aan een Echinacea-plant straalt ‘kracht’ uit: de stevig rechtop staande stengel, de naar verhouding grote bloem torsend, de rood-paarse kleur van de lintbloemen, het oranjerode bloemhart met de stekelige, harde schubben. Ook haar vermogen om volle zon, droogte, arme bodem en stevige vrieskou te doorstaan of om in de schaduw een intense bloei te ontplooien, wijst op ‘kracht’.

Echinacea wordt zowel in de fytotherapie, de homeopathie als de antroposofische geneeskunde gebruikt als weerstandverhogend en infectiebestrijdend middel. Meestal wordt geen onderscheid gemaakt tussen Echinacea purpurea, angustifolia en pallida wat het toepassingsgebied betreft. Dat onderscheid maakt men wel in de verwerkte plantendelen, maar hierover lopen de meningen uiteen.

In de antroposofische geneeskunde is Echinacea angustifolia de meest gebruikte soort, hoofdzakelijk als gehele bloeiende plant. Het is de soort die de sterkste smaak- en geurbeleving teweegbrengt.

Hoewel Echinacea angustifolia een imposante plant is, vertoont ze ten opzichte van de andere Echinacea-soorten een meer compacte, samengetrokken gestiek. Ze concentreert in de bloem een sterke karakteristieke geur, en polair hiermee vormt ze in de wortel sterk zure tot etsende smaakstoffen. Ze gedijt vooral op droge, lichte, warme plaatsen. De plant heeft een krachtige paalwortel, smalle lancetvormige bladeren en samengestelde bloemen, waarvan de lintbloempjes zich langzaam kleuren van groen naar violetroze en, bij het opbloeien van de schijfbloempjes slap naar omlaag gaan hangen. De bloembodem welft omhoog en geeft de bloem het karakteristieke ‘egelkop’- uiterlijk.

Echinacea angustifolia is vanuit antroposofisch gezichtspunt vooral aangewezen wanneer ‘afweerzwakte’ en het aspect ‘pijn’ op de voorgrond staan. Met haar beheerste vegetatieve kracht kan ze vormend, ordenend, gestalte-bewarend werken.

Hydrastis canadensis

Hydrastis canadensis (Canadese geelwortel of goudzegel) behoort tot de ranonkelfamilie (Ranunculaceae). Ze is inheems in de vochtige bossen van Noord-Amerika en geeft de voorkeur aan schaduw- en humusrijke plekken.

De plant verankert zich stevig in de bodem met een sterk beworteld, vaak knolachtig verdikt, kruipend rizoom. Hieruit rijst een 20 tot 30 cm lange bloemstengel omhoog met aan het einde een kleine groenig witte bloem met talrijke meeldraden. Langs de stengel verschijnen twee grote handvormige, diep gelobde donkergroene bladeren met sterk gezaagde rand. Ze breiden zich opvallend breed uit in de omgeving. Het onderste blad is gesteeld, het bovenste zit direct aan de stengel. In de vele vruchtbeginsels ontwikkelen zich kleine rode bessen, die samen één vrucht vormen, die op een braam lijkt.

Uit de fenomenologie van Hydrastis is, volgens de antroposofie, een bijzondere relatie af te lezen tot de slijmvliezen in het menselijk organisme. De opvallend gescheiden driedeling in wortel, blad en bloem, zonder vloeiende overgangen in de bladvorming, toont een (voor een ranonkelgewas) sterk uitgebalanceerd evenwicht in elk bereik. 

In een gezond slijmvlies heerst een evenwicht tussen het voortdurend in beweging zijnde ‘vloeistoforganisme’ (het geheel aan reguleringssystemen van de vloeistofstromen) en (de vaste fysieke vorm van) het weefsel. Het slijmvlies bemiddelt tussen vloeibaar en vast en tussen binnen en buiten en maakt een wederzijdse inwerking fysiek mogelijk. Hydrastis-preparaten worden therapeutisch ingezet wanneer hier verstoringen optreden, zich uitend in allerlei vormen van catarre, vaak met taaie, gele secreties.

Pulsatilla vulgaris

Pulsatilla vulgaris of wildemanskruid is een vaste plant uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae). De soort groeit op kalkhoudende graslanden, voornamelijk in Oost-Europa. Ze staat (sinds 1970) op de Nederlandse Rode lijst van planten als ‘in het wild niet meer aanwezig’. 

Het tere, lieflijke plantje wordt vaak als sierplant gebruikt. Het bloeit in het voorjaar (maart-april) met anemoonachtige bloemen. De grote, paars-violette, zestallige bloemen staan op lange bloemstelen, boven een krans groene omwindselslippen, en neigen wat omlaag. Ze worden door hommels en bijen bezocht. Tijdens de bloei is de zilverige, zijdeachtige beharing op stengel, omwindsel- en bloemblaadjes goed te zien. De eveneens behaarde groene bladeren zijn twee- tot driemaal toe fijn ingesneden en komen, op aparte stelen, rechtstreeks uit de wortelstok omhoog.

De vruchtjes zijn eenzadige nootjes met een tot 5 cm lang, pluizig behaard uitsteeksel. Ze vormen samen een bolvormig wollig hoofdje, dat het uiterlijk oplevert van een penseel met naar alle kanten uitstaande haren. De wind zorgt voor de verspreiding van de zaden. De plant wordt vóór de bloei 5 tot 20 cm hoog en groeit daarna verder door tot 40 cm.

In de antroposofische geneeskunde worden Pulsatilla-preparaten voornamelijk ingezet om lucht- en vloeistofprocessen beter met elkaar te verbinden, onder meer bij functionele problemen van de vrouwelijke geslachtsorganen, veneuze stuwing en catarrale slijmvliesontstekingen.      

Pulsatilla vulgaris is een gifplant. Overdosering kan leiden tot ernstige verschijnselen zoals overprikkeling en verlamming van het zenuwstelsel. Zelfs lagere dosissen kunnen een prikkeling van het maagdarmslijmvlies opwekken bij gevoelige personen. Daarom is voorzichtigheid geboden. Verdunningen tot en met D3 mogen niet gebruikt worden tijdens zwangerschap en borstvoeding en bij kinderen onder zes jaar.