print

Chamomilla comp. zetpillen

Chamomilla comp. is in de eerste plaats een kindergeneesmiddel*, dat wordt ingezet bij infecties met koorts en onrust, in het bijzonder wanneer ze gerelateerd zijn aan het doorkomen van tandjes. Het product bevat per zetpil: Argentum metallicum praeparatum D19 20 mg; Belladonna, planta tota D3 20 mg; Chamomilla, radix, decoctum D2 20 mg; Echinacea angustifolia, planta tota Ø(1=3) 135 mg; Echinacea purpurea, planta tota Ø(1=3) 135 mg; Papaver somniferum, fructus D3 20 mg. De zetpilbasis is cacaoboter. De vloeibare actieve bestanddelen worden eerst ingedroogd aan cellulosepoeder en vervolgens aan de gesmolten zetpilmassa toegevoegd. Een overzicht van de verschillende componenten:

Argentum

Zoals de maan het zonlicht reflecteert, zo weerspiegelt zilver het volledige lichtspectrum, zonder een deel ervan in zich vast te houden; dit verleent het metaal zijn opvallend wit-zilveren glans. Ook warmte en elektriciteit worden ‘onzelfzuchtig’ doorgeleid. Zilver is een zeer edel metaal, het verbindt zich met tegenzin met andere stoffen en streeft al snel weer naar zijn metaaltoestand. Bij zilverzouten van halogenen kan dit alleen al door het licht opgeroepen worden (basisprincipe van de zwart-wit-fotografie).
De enige stabiele zilververbinding is het sulfide (Argentiet). Zilver heeft een sterke relatie met zwavel en dus ook met eiwit – ook zichtbaar in het beslaan (patina) door zwavel uit de lucht of door eiwithoudend voedsel - en wordt als antroposofisch geneesmiddel ingezet ter versterking van de ‘opbouwstofwisseling’. Argentum wordt therapeutisch niet in ‘grofstoffelijke’, geconcentreerde vorm ingezet, maar als homeopathische verdunning. In de antroposofische geneeskunde worden lagere verdunningen bij kinderen onder meer toegepast ter bevordering van groei en ontwikkeling, vooral in de eerste zeven levensjaren, en hogere verdunningen bij ontstekingen met koorts, om de door de temperatuurstijging sterk toegenomen afbraakprocessen te compenseren met opbouw. In Chamomilla comp. wordt Argentum als zilverspiegel (Argentum metallicum praeparatum) verwerkt, die wordt bereid door het metaal onder sterke verhitting tot verdampen te brengen en het vervolgens te laten neerslaan als een flinterdunne, licht doorlatende spiegel. Met dit proces wordt beoogd het metaal een soort ‘reinigings- en verjongingskuur’ te laten ondergaan om het actiever en dynamischer te maken.

Belladonna

Atropa belladonna (wolfs- of doodskers) is een vaste plant uit de nachtschadefamilie (Solanaceae). Ze groeit op beschaduwde plekken en overwintert ondergronds. In het voorjaar verschijnt bovengronds een stevige scheut, die pal omhoog gaat. Belladonna start als een vitaal en onschuldig kruid waarvan het zaad alleen maar in het licht kan ontkiemen, bij de bloei echter verandert ze plots in een duistere plant met een muffe, dierlijke geur, vuil violetbruine bloemen en glanzend zwarte, uiterst giftige bessen. Het hoofdalkaloïd in het gif is l-hyoscyamine. 

De typische verschijnselen van een Belladonnavergiftiging verraden een hoofdzakelijk anti-cholinerge werking: droge mond, pupilverwijding, psychische opwinding, heftige vasculaire congestie, versnelde hartslag, trage peristaltiek, fotofobie, wazig zicht, tot, in ernstiger gevallen: duizeligheid, hallucinaties, convulsies en tenslotte koorts, delirium, coma, hart- en ademstilstand. In de homeopathie zet men Belladonna in gepotentieerde vorm in bij plotseling optredende congesties, erytheemachtige dermatosen en abcessen, koortsende ziekten zoals angina en griep, en bij allerlei spasmen. Karakteristieke aanwijzingen zijn onder meer een rood hoofd, droge slijmvliezen, kloppende pijn, innerlijke onrust, wijde pupillen, overprikkeling van alle zintuigen met een bijzondere gevoeligheid voor licht. Ook hier sluiten de toepassingsgebieden grotendeels aan bij die in de antroposofische geneeskunde gebruikelijk zijn. Men herkent in Belladonna een plant met een duidelijke polarisering tussen boven en onder, opbouw en afbraak. Wanneer in de mens deze polarisering in overmaat optreedt en in een eenzijdigheid afglijdt, ontstaat een ziekteproces, dat zich uit als ontstekings-, respectievelijk verkrampings-, verhardingsproces. In beide situaties wordt gebruik gemaakt van Belladonna, in gepotentieerde vorm, met als therapeutisch doel om opbouw en afbraak weer in evenwicht te krijgen in het door het ontstekingsproces doorgeschoten stofwisselingsproces, respectievelijk om gestagneerde en te vast geworden processen weer in beweging te brengen.

Chamomilla

Matricaria chamomilla, de echte kamille, behoort tot de Composietenfamilie. De bloem is samengesteld uit een krans van witte lintbloempjes en een hart van gele buisbloempjes. Met haar draadfijne, goudgroene blaadjes en overvloed aan witgele bloemen is het één en al luchtigheid en geurigheid. Het tere groene kamilleblad blijkt van dichtbij verrassend dik en opgeblazen, wat wijst op een tendens tot vocht-vasthouden. Deze neiging tot ‘waterigheid’ wordt echter overruled door sterke ‘doorluchtings- en aromatiseringsprocessen’, ondermeer zichtbaar in het ‘vederachtige’ van de blaadjes, de ‘luchtdruppel’ in de holle bloembodem (kenmerk van de échte kamille) en de krachtige bloemengeur. Toch blijft die vurigheid wat getemperd, de etherische olie uit kamillebloemen gedestilleerd heeft een verrassend ‘koele’ kleur: blauw. Ze blijkt ontstekingsremmend te werken. De gehele kamilleplant is ‘beheerste ontsteking’, getemperde, in bedwang gehouden vurigheid. In Chamomilla comp. wordt de wortel van kamille verwerkt met als therapeutisch doel de ontsteking af te remmen en de pijn te verminderen.

Echinacea

Alles aan een Echinacea-plant straalt ‘kracht’ uit: de stevig rechtop staande stengel, de naar verhouding grote bloem torsend, de rood-paarse kleur van de lintbloemen, het oranjerode bloemhart met de stekelige, harde schubben. Ook haar vermogen om volle zon, droogte, arme bodem en stevige vrieskou te doorstaan of om in de schaduw een intense bloei te ontplooien, wijst op ‘kracht’. Echinacea wordt zowel in de fytotherapie, de homeopathie als de antroposofische geneeskunde gebruikt als weerstand verhogend en infectie bestrijdend middel. Meestal wordt geen onderscheid gemaakt tussen Echinacea purpurea, angustifolia en pallida wat het toepassingsgebied betreft. Dat onderscheid maakt men wel in de verwerkte plantendelen, maar hierover lopen de meningen uiteen. In de antroposofische geneeskunde is Echinacea angustifolia de meest gebruikte soort, hoofdzakelijk als gehele bloeiende plant. Het is de soort met de sterkste smaak- en geurbeleving. Echinacea angustifolia is vanuit antroposofisch gezichtspunt vooral aangewezen wanneer ‘afweerzwakte’ en het aspect ‘pijn’ op de voorgrond staan. Het constitutiebeeld van Echinacea purpurea verwijst meer naar toepassingsgebieden waarbij het aspect ‘ontsteking’ overheersend is. Door in Chamomilla comp. beide Echinacea-soorten samen te voegen, wordt beoogd de verschillende kwaliteiten elkaar te laten aanvullen en te versterken.

Papaver somniferum

De eenjarige plant Papaver somniferum start sappig, weelderig, met tamelijk brede, slechts aan de rand gekartelde, blauwig-groene bladeren. Al snel schiet een lange bloemstengel omhoog, met een naar omlaag gebogen bloemknop. Deze richt zich op en ontvouwt dan een grote wittig-blauwige, in het midden wat ‘duistere’ bloem. Het aanschouwen van een bloeiend papaverveld roept vaak een melancholische droomstemming op. Ontvlamt de bloei snel, hij dooft ook snel weer uit; al bij het openen laat de bloem haar kelkblaadjes vallen en weldra volgen ook de kroonblaadjes. Rijkelijk vult een wittig, zeer giftig melksap de plant, het meest in de onrijpe vrucht. Met het rijpen van de zaden verdort de vrucht tot een droog, met lucht gevuld kapsel, dat melksap en giftigheid verliest, tenslotte open barst en het uitzaaien van de kleine vette zaden (= maanzaad) overlaat aan de wind. Deze zijn zo goed als gifvrij; zodra ze echter in het donker-vochtige van de aarde terecht komen en kiemen, vormt zich weer melksap en gif. Het melksap van Papaver somniferum zit boordevol alkaloïden, waarvan codeïne, morfine, noscapine en papaverine de belangrijkste zijn. Uit het ingedroogde melksap wordt opium gewonnen, door insnijden van de onrijpe vruchtkapsels, waarbij het melksap naar buiten komt en stolt aan de lucht. De opiumalkaloïden hebben een verlammende, verdovende werking op zenuwen en zintuigen -'somniferum' betekent 'slaap brengend' -; ze werken kalmerend en pijnstillend en veroorzaken tegelijk een algeheel geluksgevoel, een gevoel van verlost te zijn van de werkelijkheid, en aangename dromen. De onrijpe vruchtkapsels (slaapbol) in hun geheel verwerkt bezitten zwak sedatieve en spasmolytische eigenschappen. Ze worden, in een gepaste verdunning, verwerkt in Chamomilla comp. om een rustige, harmoniserende slaap te bevorderen bij infecties met koorts en onrust. 

* Voorzichtigheid geboden bij kinderen onder 1 jaar wegens onvoldoende gedocumenteerde ervaringen.

Woordenboek


Deel deze Nieuwsbrief met een medische collega