print

De alchemie van het beter worden

Tom Scheffers

Tom Scheffers is huisarts bij antroposofisch gezondheidscentrum Mercuur in Eindhoven. Zoals altijd begint hij zijn dag vroeg. Van kwart voor zeven tot kwart voor acht verdiept hij zich eerst inhoudelijk in een antroposofisch thema en bereidt hij zich in alle rust voor op een drukke werkdag. Een kijkje in zijn praktijk.

Als het spreekuur begint, maak ik kennis met een meisje met vermoeidheidsklachten. Haar moeder wil graag haar bloed geprikt hebben. Dat kan, maar in het laboratorium blijkt de oorzaak van vermoeidheid slechts zelden te vinden. We zullen breder moeten kijken. Voor de antroposofische geneeskunde is het karakteristiek dat zij zich niet alleen op de materiële werkelijkheid richt, maar ook de werkelijkheid van het leven, dat zij de ziel en de geest serieus wil nemen. Hoe kan het lukken in een kort tijdsbestek een diagnose / therapie te vinden die al deze niveaus omvat?

Voorafgaand aan het consult vraag ik me vaak af hoe ik in godsnaam voor de gestelde hulpvraag weer een passende oplossing kan vinden. Tijdens het consult dient zich echter bijna altijd een passend antwoord aan. Dat is wat ik probeer te doen: goed te luisteren naar om welk antwoord de betreffende situatie vraagt. Soms is dit hard werken, soms zijn er momenten van ‘genade’. Dan kan het bijvoorbeeld zo zijn dat mij een duidelijk ‘beeld van de ziekte’ het ‘alsof er geneesmiddelen de spreekkamer binnentreden en zich mengen in het gesprek’. Alles wat ik gedurende de anamnese hoor en wat ik tijdens het lichamelijk onderzoek zie bundelt zich in mij tot een totaalbeeld. Dit beeld leg ik vervolgens naast de kennis die ik van het ‘antroposofisch beeld van de mens en zijn verbinding met de natuursubstanties’ in me draag. Van daaruit kan zich vervolgens een concrete diagnose en therapie uitkristalliseren.

De milt

Vanochtend las ik over de milt, omdat ik promotieonderzoek doe naar de antroposofische en reguliere zienswijze op dit bijzondere orgaan. Vanuit het reguliere perspectief zou je (mits gevaccineerd) eigenlijk wel zonder milt kunnen. Binnen de antroposofische geneeskunde heeft de milt echter enkele verborgen, maar belangrijke functies. Hoe te reageren op wat van buitenaf op ons afkomt? – dat is de vraag die hoort bij de milt. Zo helpt ze ons om onszelf onafhankelijk op te stellen ten opzichte van onze omgeving. Indien dit onvoldoende lukt, kunnen we te doorlaatbaar en daardoor overgevoelig worden voor invloeden van buitenaf, bijvoorbeeld in de vorm van een allergie of verslaving. Antroposofische geneesmiddelen waarin lood – het metaal dat met de milt samenhangt – is verwerkt, kunnen helpen ons weer voor de omgeving af te schermen.

Het middel Plumbum silicicum bijvoorbeeld is een samensmelting van lood en kwarts en kan in gepotentieerde vorm helpen bij een overgevoeligheid voor zintuigprikkels, terwijl een preparaat bestaande uit met lood bemeste wilde cichorei (Cichorium plumbo cultum) helpt bij voedselovergevoeligheden.

De milt heeft ook een regulerende functie: het aanpassen van ons chaotische, onregelmatige leven van alledag aan onze regelmatige innerlijke ritmes. In deze hectische tijd kunnen veel patiënten ondersteuning van deze miltfunctie gebruiken. Dat geldt ook voor het meisje dat ik hierboven beschreef.

Ik verwijs haar door voor onder andere ritmische massage, inclusief miltinwrijvingen met koperzalf. De rest van de dag schakel ik herhaaldelijk tussen ‘kleine klachtjes’ en existentiële vragen over geboorte (waarom lukt het niet om zwanger te worden?) en dood (toen er toch een grote tumor bleek te zitten).

Pareltjes

In de spreekkamer van de huisarts kunnen telkens twee elementen een aanzet tot genezing geven en als zodanig een transformerende (‘alchemistische’) werking hebben. Enerzijds is er het gesprek, anderzijds zijn er de beschikbare antroposofische geneesmiddelen. Deze middelen zijn vaak pareltjes. Neem het preparaat Kalium aceticum comp. van Weleda bijvoorbeeld. Dit geneesmiddel is een bijzondere ‘compositie’ bestaande uit de drie componenten van wijn die samenhangen met de Tria Principia uit de alchemie – sal (wijnsteen), mercur (wijnazijn) en sulphur (wijngeest) – en drie bestanddelen uit verschillende natuurrijken: antimoniet (mineraal), safraankrokus (plant) en bloedkoraal (dier).

Deze substanties worden in een complex proces stapsgewijs met elkaar verbonden en door een bijzondere manier van ‘potentiëren’ (herhaaldelijke destillatie en kristallisatie in een dag-nacht ritme) omgevormd, dat wil zeggen ‘vermenselijkt’, ‘vergeestelijkt’. Het uiteindelijke geneesmiddel heeft een bijzondere relatie tot het menselijk Ik en het bloed, en heeft een opbouwende, integrerende en transformerende werking. Kort nadat ik als antroposofisch arts begon te werken heb ik het eens gegeven aan een meisje met anorexia nervosa, met verbluffend effect. Dit middel hielp haar echt om in haar lichaam te komen. Ik heb in de afgelopen jaren veel eerbied voor dit geneesmiddel gekregen.

Pas als er aan het einde van een consult een ondersteunend geneesmiddel op een receptbriefje staat ben ik voor mijn gevoel tevreden. Dan is de patiënt weer aan zet om aan het werk te gaan. Want ook van patiënten vraagt de antroposofische geneeskunde wat extra… Van mij vraagt de antroposofie dat ik me intensief met haar verbind en haar meditatieve scholingsweg ga. Ik probeer dit dagelijks te verzorgen en daarnaast tegelijkertijd zo veel mogelijk van de dagelijkse praktijk te leren. Wat me dat onder andere heeft gebracht is het rotsvaste weten dat de geestelijke wereld een realiteit is en de mens een geestelijk wezen met een lichamelijke ‘behuizing’.

Deze behuizing is ons instrument en helaas vaak onvolmaakt gestemd. In de spreekkamer zie ik het als mijn opdracht de persoon die tegenover mij zit niet alleen te zien in wie hij is, maar in wie hij wil worden, om van daaruit te kunnen helpen zijn instrument in een toestand te brengen die een ontwikkeling in die richting mogelijk maakt. Hindernissen die uit het verleden stammen, omvormen tot toekomstmogelijkheden - dat is voor mij de alchemie van het beter worden. Dan kan elke ziekte – naast het lijden wat ze meebrengt – ook een ontwikkelingshulp zijn, voor zowel de zieke, zijn omgeving, als voor mij als arts.

De antroposofische geneeskunde is jong en nog onvolkomen, maar heeft een enorm toekomstpotentieel. In die zin is ze ‘een kiem die om liefdevolle verzorging vraagt’. En het is mijn ideaal hieraan een bijdrage te leveren. Op de momenten dat ze zich kan ontvouwen, is de antroposofische geneeskunde voor arts en patiënt een enorme verrijking. Hiervoor ben ik Rudolf Steiner en Ita Wegman zeer dankbaar.

Bron: Motief